Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg

Klik hier om naar de webshop te gaan.

0
Registreren

INLOGGEN

Heeft u nog geen account?
Maak er hier één aan.


Bent u uw wachtwoord vergeten?
Slide01

Publicaties

Het Martinisme, de geschiedenis van een traditionele orde

In 1889 werd de vierde Wereldtentoonstelling met het thema: ‘honderd jaar na de Franse Revolutie van 1789’ geopend. Het was een geweldige tentoonstelling waar het wonder van de elektriciteit zegevierde. Hoogtepunt van de tentoonstelling was de inhuldiging van de Eiffeltoren, een gigantisch metalen monument dat al gauw het symbool zou worden van het triomferend materialisme, van de technologie en de industrie. Was het niet precies de reïncarnatie van de Toren van Babel?

Intussen werd het Martinisme, dat net begonnen was met het uitgeven van het tijdschrift L’Initiation (de inwijding), gereorganiseerd. Op welke beginselen baseerden de Martinisten zich bij het bouwen van hun Tempel en wie waren de arbeiders van het bouwwerk?

Daarop kan worden geantwoord dat de geboorte van de Martinisten Orde mag worden toegeschreven aan de ontmoeting van twee bewaarders van een inwijding die was doorgegeven uit de tijd van Louis-Claude de Saint-Martin (1743 – 1803). Hun namen waren Gérard Encause alias Papus en Augustin Chaboseau.

De Élus-Cohen

Louis-Claude de Saint-Martin was de leerling van Martinès de Pasqually. Omstreeks 1754 stichtte Martinès de Pasqually de Ordre des Élus-Cohen (uitverkoren priesters), opdat zijn leerlingen konden werken aan persoonlijke reïntegratie door middel van theürgie. Theürgie was gebaseerd op complexe ceremoniële oefeningen die ‘het zich verzoenen van de gewone man met het Goddelijke’ tot doel hadden, zoals Pasqually dit noemde. Dit zou moeten worden bereikt door communicatie van de mens met de zogenoemde engelenhiërarchie. Volgens Pasqually waren de engelen de enige steun van de mens in zijn pogingen na de val met het Goddelijke te worden herenigd.

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht is het Martinisme niet louter een uitbreiding van de Orde van de Élus-Cohen, en zou Martinès de Pasqually niet moeten worden gezien als de stichter van de Martinisten Orde.

In 1772, voordat de organisatie van zijn Orde was voltooid, vertrok Martinès de Pasqually naar Santo Domingo. Hij zou niet terugkeren vóór zijn dood in 1774. Na het wegvallen van

Martinès de Pasqually bleven verschillende leerlingen van de meester zijn leringen verspreiden, ieder vanuit een unieke zienswijze. Twee van hen onderscheidden zich in het bijzonder, namelijk Jean-Baptiste Willermoz en Louis-Claude de Saint-Martin.

Als ijverig aanhanger van de Vrijmetselarij en theürgie, had Jean-Baptiste Willermoz contact met de Duitse Strikte Observanz (strikte Tempeliersobservantie). Op een conventikel in 1782 van de Orde in Wilhelmsbad nam Willermoz Pasquallys leringen op in de hogere graden van deze Orde, maar de theürgische oefeningen van de Orde van de Élus-Cohen liet hij buiten beschouwing. Gedurende die bijeenkomst werd de Strikte Observanz hervormd en kreeg een nieuwe naam, de Wohltätigen Ritter der heiligen Stadt (barmhartige ridders van de heilige stad).

Intussen had Louis-Claude de Saint-Martin afstand genomen van de Vrijmetselarij. Hij verliet de theürgie – de uiterlijke methode – voor de voordelen van de innerlijke methode. Theürgie achtte hij zelfs gevaarlijk en het oproepen van engelen verre van onfeilbaar, wanneer dit met uiterlijke methoden werd gedaan. We mogen hem misschien zelfs het volgende fragment uit een gedicht van Angelus Silesius, Cherubijn getiteld, in de mond leggen:

Ga weg Serafijnen, jullie kunnen mij niet troosten!
Ga weg engelen en allen rondom u;
Helemaal alleen spring ik in de nog niet geschapen zee van pure Goddelijkheid.

Het ‘hart’ van de mens is volgens Saint-Martin het werktuig en de smeltkroes van deze mysterieuze gemeenschap. Hij zocht naar een manier om ‘binnen te gaan in het hart van het Goddelijke en het Goddelijke binnen te laten komen in zijn hart’. In deze zin noemen we het pad dat Saint-Martin bepleitte ‘de weg van het hart’. De ontwikkeling van Saint-Martins innerlijke zienswijze is terug te voeren naar zijn ontdekking van het werk van Jacob Boehme. In zijn persoonlijke dagboek schrijft hij: “Aan mijn eerste meester dank ik mijn eerste stappen op het spirituele pad, maar aan mijn tweede meester dank ik de belangrijkste stappen.” Hij werkte de ideeën van zijn twee meesters verder uit en integreerde ze in een persoonlijk systeem, dat hij via een inwijding doorgaf aan een paar uitverkoren leerlingen.1

We moeten ook bedenken dat Louis-Claude de Saint-Martin niet de stichter was van een organisatie die de Martinisten Orde werd genoemd; dit is een latere ontwikkeling. Wél weten we dat zich rond hem een groep vormde, waarnaar in brieven aan zijn vrienden (rond 1795) werd verwezen onder de naam Cercle Intime (vertrouwelijke kring) of Société Intime (vertrouwelijk genootschap). In Le Lys dans la Vallée (de lelie in het dal), refereert de grote romanschrijver Honoré de Balzac aan het bestaan van groepen van Saint-Martins leerlingen: “Een vertrouwde vriendin van de hertogin van Bourbon, mevrouw de Verneuil, maakte deel uit van een gewijd genootschap, waarvan de Saint-Martin, geboren in Touraine en bijgenaamd ‘de onbekende filosoof’, de ziel was. De leerlingen van deze filosoof beoefenden de deugden die door de verheven beschouwingen van het mystieke illuminisme werden aanbevolen.”2 De inwijding die oorspronkelijk door Louis-Claude de Saint-Martin werd overgedragen, werd doorgegeven aan de moderne tijd via verschillende ‘filiaties’. Tegen het einde van de negentiende eeuw waren twee mannen in het bijzonder de bewaarders van de inwijding: Dr. Gérard Encausse en Augustin Chaboseau, elk vanuit een andere filiatie. Laten we deze filiaties kort nader beschouwen.

De Martinistenfiliatie

Louis-Claude de Saint-Martin stierf op 13 oktober 1803. Hij had Jean Antoine Chaptal ingewijd, een chemicus aan wie we de ontdekking van bepaalde productieprocessen voor aluin en het verven van katoen te danken hebben alsmede het chaptaliseren (het proces van suiker toevoegen aan de most) binnen het wijnbereidingsproces. Chaptal had meerdere kinderen, waaronder een dochter die trouwde en mevrouw Delaage werd. Zij had een zoon, Henri Delaage, die vele boeken schreef over de geschiedenis van het oude inwijdingsproces. Hij was op zijn beurt ingewijd door iemand wiens naam we niet kennen - waarschijnlijk zijn vader of moeder - want toen zijn grootvader (Chaptal) stierf, was Henri Delaage nog maar zeven jaar oud en te jong om de inwijding te ontvangen. Henri Delaage gaf de inwijding door aan Gérard Encausse (Papus) in 1882.

De tweede filiatie ontstond als volgt. Ongeveer halverwege het jaar 1803 verbleef Louis-Claude de Saint-Martin in Aulnay bij zijn vriend, de abt van la Noue, die hij al lang daarvoor had ingewijd. Deze geestelijke, een onafhankelijke priester die een encyclopedische kennis bezat, wijdde de advocaat Antoine-Louis Marie Hennequin in. De laatstgenoemde wijdde Hyacinthe Joseph-Alexandre Thabaud de Latouche in, beter bekend onder het pseudoniem Henri de Latouche, die Honoré de Balzac en Adolphe Desbarolles inwijdde. Desbarolles was de graaf van Authencourt, aan wie we een beroemde verhandeling over handlezen te danken hebben. Debarolles wijdde de nicht van Henri de Latouche in, Amélie Nouël de Latouche, markiezin van Boisse-Mortemart, die op haar beurt in 1886 haar neef Augustin Chaboseau inwijdde.3

De oprichting van de Martinisten Orde

Aan de ontmoeting van deze twee spirituele nakomelingen van Louis-Claude de Saint-Martin – Augustin Chaboseau en Papus – ontsproot een inwijdende orde, de Ordre Martiniste (Martinisten Orde). Papus en Augustin Chaboseau studeerden beiden medicijnen. Een wederzijdse vriend, Gaëtan Leymarie, directeur van La Revue Spirite, die wist van hun diepgaande interesse in de esoterie, arrangeerde een samenkomst. De twee studenten werden al snel vrienden en ontdekten elkaars betrokkenheid bij inwijdingsfiliaties die terug te voeren waren naar Louis-Claude de Saint-Martin. In 1888 voegden zij samen wat zij hadden ontvangen en bedachten een plan om dit door te geven aan enkele zoekers naar waarheid. Om hun doel te bereiken stichtten zij wat wij de Martinisten Orde noemen, en we kunnen zeggen dat de Martinisten Orde pas vanaf dat moment als zodanig heeft bestaan. We zullen later zien hoe de naam van de orde werd veranderd door het toevoegen van ’tradioneel’ of ‘synarchisch’.

Hoewel de orde in die tijd geen structuur had, nam het aantal inwijdingen snel toe. In die tijd richtte Papus het tijdschrift L’Initation op. Papus had zijn studie nog niet voltooid, en omdat hij kort daarna zijn dienstplicht moest vervullen, verdedigde hij zijn medisch proefschrift pas op 7 juli 1892 met succes. Niettemin, wat een activiteit! Hij had de Martinisten Orde georganiseerd, l’École Hermétique (de hermetische school) gesticht, de tijdschriften L’Initation en Le Voile d’Isis opgericht, op 23-jarige leeftijd Le Traité Élémentaire des Sciences Occultes (elementaire verhandeling over de occulte wetenschappen) geschreven en op 24-jarige leeftijd Le Tarot Des Bohémiens (de Boheemse tarot). Zijn medestanders waren niet veel ouder dan hijzelf, behalve F.C.H. Barlet.

In 1887 werden Papus’ esoterische interesses gewekt door de geschriften van Louis Lucas, chemicus, alchemist en hermeticus. Als student van het occultisme bestudeerde hij het werk van Eliphas Levi en raakte bekend met Barlet (Albert Faucheux), een geleerd occultist, en Félix Gaboriau, directeur van het theosofische tijdschrift Le Lotus Rouge. In 1887 sloot Papus zich ook aan bij het Theosofische Genootschap dat een paar jaar ervoor (1875) was opgericht door Helena Blavatsky en kolonel Olcott.

De Opperste Raad van 1891

Papus nam al gauw een gereserveerde houding aan ten opzichte van het Theosofisch Genootschap. Het bevorderde een oosters, boeddhistisch begrip van esoterie dat zo ver ging dat de westerse esoterie erdoor minder belangrijk werd gemaakt en zelfs onderdrukt. Deze opvatting – die de superioriteit van de oosterse boven de westerse traditie verkondigde – verontrustte Papus. Tegelijkertijd doemde een serieuzer probleem op dat het onmogelijk maakte de westerse traditie in de gebruikelijke stilte en verborgenheid voort te zetten. Volgens Papus en Stanislas de Guaita probeerden sommige occultisten het centrum van de esoterie te verschuiven van Parijs – van oudsher het centrum – naar plaatsen die meer de voorkeur genoten van de aanhangers van de oosterse traditie.

“Zo werd er op hoog niveau besloten”, schreef Papus, “dat een uitbreidingscampagne moest worden ondernomen om ware inwijdelingen te selecteren, die in staat waren de oosterse traditie aan te passen aan de eeuw die stond te beginnen.” Het doel was het eeuwigheidsaspect van de oosterse traditie te behouden en zich tegelijkertijd te verzetten tegen een trend die serieuze zoekers zou hebben geleid tot een impasse tussen oosterse en westerse esoterie. Het Martinisme zou het instrument voor dit plan moeten zijn.

In 1890 trad Papus uit het Theosofisch Genootschap. Vanaf die dag werd het Martinisme beter georganiseerd. Martinisteninwijdingen namen toe en in het jaar erop, in juli 1891, stelde de Martinisten Orde een Opperste Raad samen, bestaande uit 21 leden.4 Papus werd als Grootmeester gekozen. Door Papus’ vele talenten en de materiële steun van Lucien Mauchel (Chamuel), groeide de Orde snel. De eerste Martinistenloges werden opgericht; er verschenen er al gauw vier in Parijs: Le Sphinx, geleid door Papus, die algemene studies aanbood; Hermanubis, geleid door Sédir, waar mystiek en oosterse traditie werden onderwezen; Velleda, geleid door Victor-Emile Michelet, gewijd aan de studie van het symbolisme; en Sphinge, bedoeld om de kunsten te bevorderen. Ook werden er in verschillende andere Franse steden Martinistengroepen gevormd. De Orde breidde zich ook uit naar België, Duitsland, Engeland, Spanje, Italië, Egypte, Tunesië, de Verenigde Staten, Argentinië, Guatemala en Colombia. De uitgave L’Inititation van april 1898 verklaarde dat er wereldwijd wel 40 loges bestonden; later dat jaar kon men zich beroemen op 113 loges.

Faculteit voor hermetische wetenschappen

De Martinisten wilden de westerse esoterie doen herleven, maar er was geen plek in Frankrijk waar hermetische wetenschappen konden worden gestudeerd. Papus gaf het zo weer: “Als er faculteiten zijn waar we materialistische wetenschappen kunnen bestuderen, waarom zou er dan niet een zijn waar we esoterische wetenschappen kunnen bestuderen!” Om aan die behoefte tegemoet te komen richtten de Martinisten een school op die cursussen en lessen zou ontwikkelen met de bedoeling westerse esoterische waarden door te geven aan zoekende mensen. Deze school werd de plaats waar toekomstige Martinisten voor inwijding werden uitgekozen. In feite zou ze de buitenste cirkel van de Martinisten Orde gaan vormen en werd ze École Supérieure Libre des Sciences Hermétiques (onafhankelijke hogeschool voor hermetische wetenschappen) genoemd. Later veranderde de naam in Groupe Indépendant d’Études Ésotériques (onafhankelijke kring voor esoterische studies), toen in École Hermétique (de hermetische school) en ten slotte in Faculté des Sciences Hermétiques (faculteit voor hermetische wetenschappen).

De faculteit bood vele cursussen aan - zo’n twaalf per maand -, met uiteenlopende onderwerpen die de hele geschiedenis van de esoterie besloegen, van kabbala en alchemie tot de tarot. De meest toegewijde leraren waren Papus, Sédir, Victor-Emile Michelet, Barlet Augustin Chaboseau, en Sisera. Een speciale groep onder leiding van Augustin Chaboseau bestudeerde de oosterse wetenschappen. Een andere, onder leiding van F. Jollivet Castelot, bestudeerde de alchemie en nam de naam Société Alchimique de France aan .

De Kabbalistische Orde van het Rozekruis

Nadat de buitenste cirkel was opgericht – toen de Groupe Indépendant d’Études Ésotériques genoemd – vormden de Martinsten ook een binnenste cirkel: de Ordre Kabbalistique de la Rose-Croix (de kabbalistische Orde van het Rozekruis). Op 5 juli 1892 werden de Martinisten Orde en de Kabbalistische Orde van het Rozekruis door een overeenkomst samengevoegd. Volgens Stanislas de Guaita, vormden het Martinisme en het Rozekruis twee ‘completerende’ krachten in de ware wetenschappelijke betekenis van het woord.5 In 1889 werd de Kabbalistische Orde van het Rozekruis nieuw leven ingeblazen door Stanislas de Guaita en Joséphin Péladan. Toelating was exclusief voor Martinisten S.I., die deze graad tenminste drie jaar daarvoor onder bijzondere omstandigheden hadden verkregen. Het aantal leden zou beperkt moeten zijn tot 144, maar blijkbaar werd dit aantal nooit bereikt.

Het doel van de Kabbalistische Orde van het Rozekruis was de spirituele vorming van de leden met de graad S.I. te voltooien. De orde was verdeeld in drie graden die tot de volgende ‘diploma’s’ leidden: baccalauréat (laagste graad) in de kabbala, maîtrise (gediplomeerd, na enkele jaren studie) in de kabbala en doctorat (doctorsgraad) in de kabbala. Toen Stanislas de Guaita in 1897 stierf, acht jaar na de oprichting van de Orde, werd Barlet tot leider benoemd, maar hij zou nooit aan zijn verplichtingen voldoen; de Kabbalistische Orde van het Rozekruis werd min of meer inactief. Zelfs tot in de eerste Wereldoorlog bleef Papus proberen de Orde nieuw leven in te blazen, echter zonder succes.

Om het illuminisme te verspreiden aarzelden de Martinisten niet samen te gaan met andere inwijdende organisaties. Zo organiseerde Papus in 1908 een groot internationaal spiritueel convent in Parijs, een evenement dat niet minder dan 30 inwijdende organisaties samenbracht. De secretaris van deze enorme onderneming was Victor Blanchard, een Martinist die later gebruik maakte van deze methode om de F.U.D.O.S.I. (Fédération Universelle Des Ordres et Sociétés Initiatiques; de algemene federatie van inwijdende ordes en genootschappen) te organiseren.

In de vele verbintenissen die Papus aanging, liet hij zich soms meeslepen door de emotionele geestdrift van andere esoterici. Dat gebeurde bij de Église Gnostique (de gnostische kerk) die in 1889, na een spirituele ervaring, door Jules Doisnel was opgericht. Er is vaak beweerd dat de gnostische kerk de officiële kerk van de Martinisten werd. In werkelijkheid werd het belang van de verbintenis overdreven door sommigen van de pseudo-opvolgers van Papus. Hoewel de Martinisten Orde zich met vele organisaties verenigde, –Les Illuminés, Les Babistes, Le Rite Écossais of Memphis Misraïm –, behield zij altijd haar onafhankelijkheid. Het was in die tijd heel gebruikelijk om tegelijkertijd bij verschillende inwijdende organisaties aangesloten te zijn. Helaas misbruikten sommigen dit voorrecht, waardoor zij besmet raakten met een akelige ziekte die wel meer voorkwam onder degenen voor wie een inwijding een oppervlakkige gebeurtenis was: de neiging om titels te verzamelen als surrogaat voor ware esoterische studie.

Papus en de meeste Martinistenleiders hadden belangrijke verantwoordelijkheden op zich genomen bijvoorbeeld binnen de Egyptische Vrijmetselarij van de rite van Memphis-Misraïm. Maar vergeleken bij de 97 graden daarvan leken de paar graden van de Martinisten Orde niets bijzonders! Een aantal Martinisten, geïmponeerd door de verbazingwekkende titels van de graden van de Memphis-Misraïm, nam geen tijd meer voor het bestuderen van de leringen. En zo vervielen velen in een soort van ‘inwijdingslosbandigheid’ en verloren het onderliggende doel en de essentie van de inwijding volledig uit het oog.

Wereldoorlog I (1914 – 1918)

Toen de eerste Wereldoorlog begon, werd de Orde inactief. Iedereen was betrokken bij het verdedigen van Frankrijk. Papus meldde zich vrijwillig aan bij het front en werd aangesteld als hoofd medische dienst, met de rang van kapitein. Hij beschouwde de plicht aan zijn land als heilig. Augustin Chaboseau, fysiek niet in staat te dienen aan het front, sloot zich aan bij de staf van Aristide Briands ministerie, eerst als gerechtsambtenaar, toen als voorzitter van de raad. Papus stierf voor de oorlog ten einde was, op 25 oktober 1916. Tegen de tijd dat de oorlog voorbij was, waren de leden van de Opperste Raad verspreid en werd er geen nieuwe Grootmeester gekozen. “Nu Papus weg is, is het Martinisme dood”, klaagde Jollivet Castelot.6 Verscheidene Martinisten probeerden het leiderschap van de Orde op zich te nemen, maar zij veranderden de essentie van het Martinisme zo drastisch dat veel Martinisten er liever geen deel van uit maakten en onafhankelijk bleven.

Kortstondige opvolgingen

Er ontstonden verschillende Martinistengroepen in die periode, maar de meeste waren van korte duur en volgden niet één bepaalde leider. Toen een Russische Martinist aan Barlet vroeg wie de leider van de Orde in Frankrijk was, antwoordde Barlet half lachend: “Het Martinisme is een cirkel, waarvan de omtrek overal is en het middelpunt nergens.”7 Laten we een snelle blik werpen op de organisaties in deze periode - die vaak door elkaar worden gehaald - en op sommige zaken die met genoegen door historici zijn verduisterd.

De eerste van deze organisaties werd gevormd onder het leiderschap van Jean Bricaud, die beweerde dat Papus Teder als zijn opvolger had aangesteld, en dat Teder op zijn sterfbed op zijn beurt Bricaud als zijn opvolger had aangewezen. Hij liet de Parijse Martinisten een document zien om zijn benoeming als hoofd van de Orde te bevestigen, maar niemand nam het serieus, denkend dat Bricaud het waarschijnlijk zelf geschreven had. Hij werd niet erkend.8 Jean Bricaud stelde een kleine groep samen in Lyon die de Orde ‘maçoniceerde’, door alleen maar 18e–graads Vrijmetselaars toe te laten. Het resultaat was een versie van het Martinisme die weinig van doen had met dat van Papus en Augustin Chaboseau. Daar kwam bij dat Jean Bricaud een Élus-Cohen filiatie claimde, waarvan Robert Ambelain aantoonde dat dit geheel ongegrond was.9 Bricauds beweging bleef voornamelijk geconcentreerd in Lyon.10

Een tweede groep werd opgericht onder het leiderschap van Victor Blanchard. Blanchard was Meester geweest van de Parijse Loge Melchissedec en werd erkend door tal van Parijse Martinisten. Op 11 november 1920 kondigde de Journal Officiel de oprichting aan van Victor Blanchards Orde, onder de naam Union Générale des Martinistes et des Synarchistes (algemene associatie van Martinisten en Synarchisten), of Ordre Martiniste Synarchique (synarchistische Martinisten Orde). In 1934 werd H. Spencer Lewis ingewijd in deze Orde door Victor Blanchard. Later zou Lewis van Blanchard een charter krijgen om Groot Inspecteur te worden voor de drie Amerika’s en om Soeverein Grootmeester voor de Verenigde Staten te zijn. Ook werd hij gemachtigd de Louis-Claude de Saint-Martin tempel in San José op te richten. (Ralph Maxwell Lewis zou ook worden ingewijd in de Synarchistische Martinisten Orde in september 1936). We zullen later op de Synarchistische Martinisten Orde terugkomen.

In Parijs werden verschillende onafhankelijke groepen opgericht, maar er was geen Opperste Raad die door alle Martinisten werd erkend. Het was zelfs zo, dat de meeste Martinisten liever op de achtergrond onafhankelijk bleven werken, in plaats van zich te storten in geruzie over opvolging.

De geboorte van de Traditionele Martinisten Orde

Er leek geen oplossing voor het probleem te bestaan. In 1931 raadde Jean Chaboseau zijn vader aan de nog in leven zijnde leden van de Opperste Raad van 1891 bij elkaar te roepen om de Martinisten Orde opnieuw op te richten op basis van haar oorspronkelijke beginselen. Naast Augustin Chaboseau waren de enige overlevenden Victor-Emile Michelet en Chamuel.

We moeten niet vergeten dat Augustin Chaboseau in 1889 de mede-oprichter van het Martinisme was en dat hij zijn inwijding had ontvangen door middel van de directe filiatie van zijn tante, Amélie de Boisse-Mortemart. Victor-Emile Michelet was een belangrijk lid van de hermetische hogeschool geweest en Meester van Loge Velleda. Chamuel was in praktische zin de organisator van de Orde geweest door de achterkamer van zijn boekenwinkel te gebruiken om de eerste activiteiten van de Orde te huisvesten. Andere Martinisten sloten zich bij hen aan: Dr. Octave Béliard, Dr. Robert Chapelain, Pierre Lévy, Ihamar Strouvea, Gustave Tautain en ook Philippe Encausse – de zoon van Papus. Philippe was enige tijd lid van de Martinisten Orde en trok zich toen terug. Hij schijnt zich op iets anders gericht te hebben, zoals later bevestigd werd door een boek dat hij in het volgende jaar aan zijn vader opdroeg.11

Op 24 juli 1931 kwamen de Martinisten opnieuw samen met Augustin Chaboseau en besloten het Martinisme te doen herleven vanuit zijn authentieke en traditionele gezichtspunt. Om het te onderscheiden van de talrijke pseudo-Martinistenorganisaties voegden zij de kwalificatie ‘traditioneel’ toe aan de naam van de Orde. Daardoor maakten de nog in leven zijnde leden van de Opperste Raad van 1891 aanspraak op het eeuwig voortduren van de Orde die zij met Papus hadden gesticht.12

Het Martinisme kreeg wat van zijn kracht terug. Er werd een Grootmeester benoemd. Zoals de traditie wilde, was dit het oudste lid Augustin Chaboseau. Al in april 1932 koos hij ervoor de functie over te dragen aan Victor Emile Michelet. Hoewel actief, bleef de Orde onder zijn leiderschap betrekkelijk verborgen. Toen Michelet stierf op 12 januari 1938, nam Augustin Chaboseau de taak van Grootmeester van de Traditionele Martinisten Orde weer op zich.

Het Martinisme en de F.U.D.O.S.I.

In Augustus 1934 werden in Brussel de eerste bijeenkomsten gehouden van de F.U.D.O.S.I. Verscheidene inwijdende ordes werden samengebracht om hun krachten te bundelen. Door middel van de F.U.D.O.S.I. hoopte Victor Blanchard onder zijn leiderschap de wereldwijde eenheid van het Martinisme te herstellen. Niettemin waren vele Martinisten afwezig. De Traditionele Martinisten Orde was niet vertegenwoordigd en leek niet te zijn uitgenodigd. Jean Bricaud, waarschijnlijk bang dat er twijfels over zijn titel zouden rijzen, gaf er de voorkeur aan niet aanwezig te zijn. Op 9 augustus, tijdens een Martinistenbijeenkomst, werd Victor Blanchard door de deelnemende Martinisten erkend als Soeverein Grootmeester, George Lagrèze als plaatsvervangend Grootmeester.13

Victor Blanchard machtigde Harvey Spencer Lewis om loges van de Synarchische Martinisten Orde op te richten in de Verenigde Staten, maar was niet in staat Lewis, Émile Dantinne, Edouard Bertholet of anderen van de benodigde documenten te voorzien. Uit voorzorg wachtte H. Spencer Lewis liever op officiële algemene regels alvorens verder iets te doen. Martinisten uit andere jurisdicties stelden zich hetzelfde op. Het bleek dat de activiteiten van de Synarchistische Martinisten Orde beperkt waren tot de overdracht van de diverse graadsinwijdingen der Martinisten; daarbuiten had de Orde eigenlijk geen echt bestaan. Er was in die tijd geen enkele Martinistenloge in Parijs, en Victor Blanchard gaf zijn inwijdingen in de tempel van de Fraternité des Polaires (broederschap der poolsterren).

Vijf jaar later was er niet veel verbeterd. De F.U.D.O.S.I. besloot in 1939 het in Victor Blanchard gestelde vertrouwen in te trekken. Georges Lagrèze maakte van deze gelegenheid gebruik om de leden van de F.U.D.O.S.I. erop te wijzen dat er wel degelijk een volledig gekwalificeerde Martinist was om de Orde te leiden, wiens bestaan, opzettelijk of niet, nooit door Blanchard genoemd was. Deze Martinist, Augustin Chaboseau, voormalig medewerker van Papus en laatste nog in leven zijnd lid van de Opperste Raad van 1891, was ook de enige die gerechtigd was de richting van de Martinisten Orde te bepalen. Logischerwijs werd een delegatie op pad gestuurd om Augustin Chaboseau te ontmoeten. Nadat hij de situatie in overweging had genomen stemde hij ermee in de Martinisten Orde te leiden. Op een speciale F.U.D.O.S.I.–bijeenkomst, verenigden alle aanwezige Martinisten zich onder het gezag van de Grootmeester van de Traditionele Martinisten Orde. Zo werd deze Orde in juli 1939 toegelaten tot de F.U.D.O.S.I., met als resultaat een daling van het aantal leden van de Synarchistische Martinisten Orde.

Augustin Chaboseau, die net het leiderschap van de Martinisten Orde op zich had genomen, verving Victor Blanchard als Imperator bij de F.U.D.O.S.I., waardoor hij een van de drie Imperators werd die de organisatie leidden. De andere twee waren Sâr Hieronymus (Émile Dantinne) en Ralph M. Lewis (daar zijn vader, Harvey Spencer Lewis, op 2 augustus 1939 was overgegaan).

Een paar dagen later bevestigde een brief van de Internationale Opperste Raad van de Traditionele Martinisten Orde de benoeming van Ralph M. Lewis als Grootmeester voor de Verenigde Staten en als lid van de Internationale Opperste Raad.

Wereldoorlog II (1939 – 1945)

Een paar maanden nadat de Martinistentraditie zich net aan de andere kant van de Atlantische Oceaan opnieuw had gevestigd (en geen moment te vroeg), werden de Europese Martinisten aan een nieuwe en vreselijke beproeving onderworpen. De Tweede Wereldoorlog zou rampzalige gevolgen hebben voor de Martinisten Orde. Vele Martinisten verloren het leven op het slagveld en in concentratiekampen. Op 14 augustus 1940, kort na het uitbreken van de vijandelijkheden, publiceerde de officiële Franse krant een verordening van de Vichy-regering: alle geheime genootschappen in Frankrijk werden verboden. De meeste leiders van deze organisaties werden gearresteerd. De Traditionele Martinisten Orde werd in officiële zin inactief, maar ondergronds hield het echte werk niet op, want de Loges Athanor en Brocéliande bleven in het geheim actief. Door zijn vlucht naar Engeland werd Augustin Chaboseau niet openlijk lastig gevallen, maar Dr. Béliard had wat moeilijkheden met de Gestapo. Georges Lagrèze zag zich gedwongen onder te duiken in Normandië, later in Angers.14 Maar ondanks het voortdurende zoeken naar zijn verblijfplaats bleef hij via Jeanne Guesdon contact houden met Ralph M. Lewis.

Tegen het einde van de oorlog, in 1945, waren er nog maar enkele overlevenden. De Traditionele Martinisten Orde werd officieel nieuw leven ingeblazen onder leiding van Augustin Chaboseau, die helaas overging op 2 januari 1946. Georges Lagrèze stierf in Angers op 16 april datzelfde jaar. Door hun heengaan verloor de Orde in Frankrijk een tweetal essentiële krachten. Jean Chaboseau werd aangewezen om zijn vader op te volgen. Hoewel hij een waardevolle Martinist was, was hij een slechte organisator en lukte het hem niet de Orde in Frankrijk te doen herleven. De leden van de Opperste Raad verloren geleidelijk aan het vertrouwen in hem en trokken zich terug. Wel moet worden opgemerkt dat sommige Martinisten veel deden om zijn werk te bemoeilijken. Moe van het geruzie besloot Jean Chaboseau de Orde ‘slapende’ te verklaren. Belgische Martinisten probeerden onder het leiderschap van Sâr Renatus (René Rosart) het werk van de Orde voort te zetten onder de naam Ordre Martiniste Universel (de universele Martinisten Orde), en Victor Blanchard was het eens met deze beslissing. Maar René Rosarts overgang, in oktober 1948, hield in feite een verdere ontwikkeling van deze orde tegen. Broeder Heb Aïlghim Sî (Dr. E. Bertholet) volgde René Rosart op maar koos ervoor een orde die nooit actief was geweest te laten doodbloeden. Dr. Bertholet stierf op 13 mei 1965 zonder een opvolger te hebben aangewezen.15

Ondertussen had de Traditionele Martinisten Orde in de Verenigde Staten geen schade geleden en werkte rustig door, terwijl zij wachtte tot de zaken in Europa wat tot bedaren zouden komen. Ralph Lewis behield zijn titel als Regionaal Grootmeester, en tien jaar later, toen de Traditionele Martinisten Orde weer was opgezet in Frankrijk en andere landen, nam hij de titel Soeverein Grootmeester aan. Ralph M. Lewis leidde de Traditionele Martinisten Orde 48 jaar lang. Na zijn overgang, op 12 januari 1987, werd hij opgevolgd door Gary Stewart. In april 1990 werd Christian Bernard benoemd tot Soeverein Grootmeester van de Traditionele Martinisten Orde.

De hedendaagse Traditionele Martinisten Orde

Zoals u kunt zien is de Martinisten Orde er - ondanks tegenspoed door de jaren heen - altijd in geslaagd haar Licht door te geven. Hoewel er verscheidene Martinistenjurisdicties bestaan, heeft de Traditionele Martinisten Orde het grootste aantal leden. In de afgelopen jaren is Soeverein Grootmeester, Christian Bernard, de Orde geduldig gaan reorganiseren. Honderd jaar na de oprichting van de Opperste Raad in 1891, en zestig jaar na de stichting van de Traditionele Martinisten Orde, heeft hij plannen aangekondigd om de Orde zowel opnieuw te centreren rond de traditionele waarden en leringen als haar aan te passen aan de moderne maatschappij. Het lijkt erop dat de Orde onder zijn bewind een wedergeboorte meemaakt.

Honderd jaar na de Franse Revolutie streefden Martinisten onder Papus’ leiderschap ernaar een bijdrage te leveren aan het ‘spiritueler worden’ van hun tijd. In hun verlangen dit doel te bereiken verspreidden zij Serviteurs Inconnus (onbekende dienaars) over de gehele wereld ter bevordering van het Grote Werk. Er stond in die tijd veel op het spel – de dreiging die boven de westerse esoterie hing, het rijzen van een industrialistische beschaving, het naderen van de consumptiemaatschappij – het deed zich allemaal voor als een reëel gevaar voor het innerlijk leven van de mens. Het heden vertoont gelijkenissen met die periode, en iedereen kan opmerken - gezien het tweehonderdjarige jubileum van de Franse Revolutie niet al te lang geleden - dat er nog veel gedaan moet worden. Victor Hugo zei: “Revolutie verandert alles, behalve het menselijk hart.”

De hedendaagse mensheid wordt, net als in de periode van de heropleving van het Martinisme, in gevaar gebracht door de vooruitgang. Het is niet toevallig dat inwijdende organisaties zoals de Traditionele Martinisten Orde de laatste tijd zo actief zijn geweest, want zij leren dat een revolutie niet buiten, maar binnen in ons plaats moet vinden, in het hart van ieder mens. Martinisten noemen dit ‘de weg van het hart’.

Christian Rebisse

Rosicrucian Digest, najaar 1992.

 

Noten

1. Niet alle historici van het Martinisme zijn het hierover eens. Sommigen denken dat Saint-Martin de inwijding niet doorgaf in de gebruikelijke zin van het woord. Volgens hen moet Papus worden gezien als de oprichter van de Martinisteninwijding. Zie ook door Robert Amadou, 1979, Le Martinisme, hoofdstuk IV, Uitgeverij Ascèse. Tot nu toe garandeert niets een definitief oordeel, in welke zin dan ook.

2. H. de Balzac, 1957, Le Lys dans la Vallée, pag. 64, Nelson.

3. Zie met betrekking tot de omstandigheden van deze inwijding het artikel Un Serviteur Inconnu van Pierre-Augustin Chaboseau.

4. Deze oprichting werd aangekondigd in de volgende uitgaven van L’Initiation: nr. 10, juli 1891, pag. 83 – 84; nr. 11, augustus 1891, pag. 182; en nr. 12, september 1891, pag. 277.

5. G. Carré, 1890, Essais de Sciences Maudites, I, Au Seuil du Mystère, pag. 158, Parijs.

6. F. Jollivet Castelot, 1928, Essai de Synthèse des Sciences Occultes, pag.189, E. Nourry, Parijs.

7., 8. Gaston Ventura, 1978, Tulli Gli Uomini Del Martinismo, pag. 59, Uitgeverij Atanor, Rome.

9. Robert Amandou, 1946, Le Martinisme, pag. 151–155, Niclaus, Parijs.

10. Jean Bricaud had opvolgers die we door gebrek aan plaats hier niet kunnen noemen. Zie voor meer informatie over dit onderwerp, het artikel genaamd Le Martinisme, son Histoire et sa Philosophie (Martinisme, haar geschiedenis en filosofie) door Christian Rebisse.

11. Philippe Encausse, 1932, Papus, sa Vie son Oeuvre, Uitgeverij Pythagore, Parijs. In de Voile d’Isis van december 1932, pag. 793–794, was Jean Reyor de eerste die dit aspect van Papus’ zoon noemde: “Het lijkt erop dat we alles wat werkelijk interessant kan zijn in de uitzonderlijk actieve carrière van deze verbazingwekkende Papus, systematisch aan de kant schuiven…geen woord over de opbouw en het leven van deze Martinisten Orde, waar Papus de stichter van was.” Philippe Encausse maakte deze nalatigheid goed in de volgende uitgaven van dit werk.

12. Robert Ambelain, 1946, Le Martinisme, pag. 174, Niclaus, Parijs.

13. Deze gebeurtenis werd aangekondigd in het tijdschrift Adonhiram, in de uitgave van augustus–september 1934, pag. 6.

14. In 1942 deed Georges Lagrèze een Orde van Élus-Cohen herleven. Deze Orde had geen directe filiatie met die van Martinès de Pasqually, maar een indirecte door C.B.C.S., daar Georges Lagrèze de graad van Grand-Profès van die Orde had. Na de overgang van Georges Lagrèze in 1946, eiste Robert Ambelain de opvolging van Lagrèze op. Georges Lagrèze had echter, twee dagen voor zijn overgaan, in een brief aan Ralph M. Lewis geschreven, dat hij had besloten de Orde inactief te verklaren, omdat zij geen stevige basis had. In 1967 volgde Ivan Mosca (Hermete) Robert Ambelain op als leider van de Ordre des Élus-Cohen. In 1986 besloot hij, met toestemming van Robert Ambelain, de Orde inactief te maken, omdat hij zich zorgen maakte over de legitimiteit van de heropleving van 1942 (zie de aankondiging in het tijdschrift L’Initiation, in oktober 1968, pag. 230–231).

15. In tegenstelling tot sommige legendes is Dr. Bertholet nooit Soeverein Grootmeester van de Ordre Martiniste Synarchique geweest en heeft hij dus nooit zijn titel doorgegeven aan een eventuele opvolger. Een recent bezoek aan Mrs. A.R., de huidige opvolgster van Mr. Genillard – zelf opvolger van Dr. Bertholet in andere inwijdende functies – heeft dit voor ons bevestigd. Bovendien was Dr. Bertholet’s inwijdingsnaam in de Martinisten Orde niet Sâr Alkmaïon, dat was zijn naam binnen de O.H.T.M. Binnen het Martinisme was zijn naam Heb Aïlghim Sî.

 

Niet alle velden zijn (juist) ingevuld