Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg

Klik hier om naar de webshop te gaan.

0
Registreren

INLOGGEN

Heeft u nog geen account?
Maak er hier één aan.


Bent u uw wachtwoord vergeten?
Slide01

Positio Fraternitatis

Positio Fraternitatis Rosae Crucis

In dit eerste jaar van het derde millennium, in het aanschijn van de God van alle mensen en van al het leven, achten wij, de gedeputeerden van de Opperste Raad van de Rozekruisersbroederschap, de tijd gekomen om de vierde toorts R+C te ontsteken teneinde ons standpunt over de huidige toestand van de mensheid kenbaar te maken en licht te werpen op de dreigingen die zwaar op haar wegen, maar ook op de hoop die wij in haar stellen.

Zo moge het zijn!

Ad Rosam per Crucem
Ad Crucem per Rosam

 


Proloog

Geachte lezer,

Omdat wij ons niet rechtstreeks tot u kunnen richten, doen wij dit door middel van dit Manifest. Wij hopen dat u er onbevooroordeeld kennis van neemt en dat deze tekst u zal aanzetten tot nadenken. Het is niet onze wens u van de juistheid van deze 'Positio' te overtuigen, maar die vrijelijk met u te delen. Natuurlijk hopen wij dat ze een gunstige weerklank in uw ziel zal vinden. Als dat niet het geval is, doen wij een beroep op uw tolerantie ...

In 1623 plakten de Rozekruisers op de muren van Parijs affiches die zowel mysterieus als intrigerend waren. De tekst luidde als volgt:

«Wij, vertegenwoordigers van de hoogste Raad van het Rozekruis, verblijven zichtbaar en onzichtbaar in deze stad, bij de gratie van de Allerhoogste, tot wie het hart van de rechtvaardigen zich wendt. Zonder boeken of tekens spreken wij, en wij leren dit ook aan anderen, in alle talen van de landen waar wij willen verblijven om de mensen, onze gelijken, van dodelijke vergissingen te bevrijden.

Indien iemand ons slechts. uit nieuwsgierigheid wil ontmoeten, zal hij nooit met ons in contact komen. Als echter zijn wil hem ertoe brengt zich te laten inschrijven in het register van onze Broederschap, dan zullen wij, die de gedachten kunnen doorzien, hem tonen dat wij waarlijk onze beloften nakomen. Zo vermelden wij niet de plaats waar wij in deze stad verblijven, want de gedachten toegevoegd aan de waarachtige wil van de lezer zullen het mogelijk maken dat hij ons leert kennen, en wij hem leren kennen.»

Enkele jaren eerder waren de Rozekruisers reeds in de openbaarheid getreden door de publicatie van drie, thans beroemde, manifesten: de 'Fama Fratemitatis', de 'Confessio Fratemitatis' en de 'Chymische Hochzeit Christiani Rosenkreutz' ('de Chymische Bruiloft van Christian Rosenkreutz'), die respectievelijk in 1614, 1615 en 1616 verschenen. Deze drie manifesten riepen in die tijd veel reacties op, niet alleen vanuit intellectuele kringen, maar ook van de politieke en religieuze autoriteiten. Tussen 1614 en 1620 werden ongeveer vierhonderd pamfletten, manuscripten en boeken gepubliceerd, sommige om de manifesten te prijzen, andere om op ze af te geven. Hoe het ook zij, de publicatie vormde een zeer belangrijke historische gebeurtenis, met name in de wereld van de esoterie.

De 'Fama Fratemitatis' richt zich tot de politieke en religieuze leiders en de wetenschappers van die tijd. De tekst geeft een tamelijk negatieve beschrijving van de algemene situatie in Europa en maakt tegelijkertijd het bestaan van de Orde van het Rozekruis bekend. Hij doet dit door middel van de allegorische geschiedenis van Christian Rosenkreutz (1378 -1484), vanaf zijn zwerftocht door de wereld (voordat hij de Rozekruisers Broederschap oprichtte), tot en met de ontdekking van zijn graf. Dit manifest roept reeds op tot een 'Universele Hervonning'.

De 'Confessio Fratemitatis' is een aanvulling op het eerste manifest, enerzijds door aan te dringen op de noodzaak mens en samenleving te regenereren en anderzijds door aan te geven dat de Broederschap van het Rozekruis een filosofische wetenschap bezit die in staat is deze regeneratie te verwezenlijken. Het manifest richt zich dan ook vooral tot de zoekers die willen deelnemen aan het werk van de Orde en zich willen inzetten voor het geluk van de mensheid. Het profetische aspect van de 'Confessio ...' intrigeerde de geleerden van die tijd ten zeerste.

De 'Chymische Hochzeit Christiani Rosenkreutz' beschrijft, in een stijl die enigszins van die van de eerste twee manifesten afwijkt een inwijdende zoektocht die de queeste naar de Verlichting voorstelt. Deze zevendaagse zoektocht speelt zich grotendeels af in een geheimzinnig kasteel waar de bruiloft van een koning en een koningin gevierd gaat worden. In symbolische termen verhaalt de 'Chymische Hochzeit' de spirituele zoektocht die iedere ingewijde aflegt om de vereniging van zijn ziel (de bruid) en God (de bruidegom) te bereiken.

Zoals de geschiedschrijvers, denkers en filosofen van die tijd hebben onderstreept, was de publicatie van deze drie manifesten belangrijk en kwam ze bovendien op het juiste moment. Ze vond plaats in een tijd dat Europa een hevige existentiële crisis doormaakte. Europa was toen politiek sterk verdeeld, en verscheurd door tegenstrijdige economische belangen; de godsdienstoorlogen zaaiden overal ongeluk en verderf, zelfs in de gezinnen; de wetenschap was sterk in opkomst en begon zich reeds in een materialistische richting te ontwikkelen; de levensomstandigheden waren voor de meeste mensen ellendig en de maatschappij van die tijd verkeerde volop in verandering, maar miste de bakens om zich in de richting van het algemeen belang te ontwikkelen ...

De geschiedenis herhaalt zich en voert regelmatig dezelfde gebeurtenissen ten tonele, maar over het algemeen op een steeds grotere schaal. Zo constateren wij dat nu, vier eeuwen na de publicatie van de eerste drie manifesten, de gehele wereld, en niet alleen Europa, geconfronteerd wordt met een existentiële crisis zoals die nog nooit eerder heeft plaatsgevonden. Deze crisis beslaat alle gebieden van menselijke activiteit: politiek, economisch, wetenschappelijk, technologisch, religieus, moreel, artistiek enzovoorts. Bovendien wordt onze planeet, dat wil zeggen, onze leefomgeving en het kader waarbinnen onze evolutie zich voltrekt, ernstig bedreigd. Dit rechtvaardigt het belang van een betrekkelijk nieuwe wetenschap, namelijk de ecologie. Het gaat beslist niet goed met de moderne mensheid. Daarom hebben wij, Rozekruisers van deze tijd, getrouw aan onze traditie en ons ideaal, het dienstig geacht hiervan in deze 'Positio' te getuigen.

De 'Positio Fratemitatis Rosae Crucis' is geen eschatologisch essay. Het is beslist niet apocalyptisch. De bedoeling ervan is, zoals wij hierboven reeds hebben gezegd, onze houding ten opzichte van de huidige situatie van de wereld aan te geven en duidelijk te maken wat ons met het oog op de toekomst verontrustend lijkt. Zoals onze broeders uit het verleden in hun tijd reeds deden, willen ook wij een beroep doen op meer menselijkheid en spiritualiteit. Wij zijn er immers van overtuigd dat het individualisme en het materialisme die in de huidige maatschappij de overhand hebben, de mensen niet het geluk kunnen schenken waarnaar zij met recht verlangen. Voor sommigen zal het ongetwijfeld lijken alsof deze 'Positio' onrust zaait, maar er bestaat geen groter dove dan wie niet wil horen en geen groter blinde dan wie niet wil zien.

De tegenwoordige mensheid is zowel verontrust als ontredderd. De enorme vooruitgang op materieel gebied heeft haar niet echt geluk gebracht waardoor ze de toekomst niet met een gerust hart tegemoet kan zien: oorlogen, hongersnoden, epidemieën, ecologische rampen, sociale crisissen, aantasting van fundamentele vrijheden, het zijn evenzovele rampen die strijdig zijn met de hoop die de mens voor de toekomst had gekoesterd. Daarom richten wij deze boodschap tot een ieder die wil luisteren. Zij ligt in de lijn van de boodschap die de Rozekruisers uit de 17e eeuw in hun eerste drie manifesten tot uitdrukking brachten. Om haar echter goed te begrijpen moet men het grote boek van de geschiedenis met een realistische instelling lezen en een heldere blik gericht houden op de mensheid -dat bouwwerk van mannen en vrouwen op weg naar evolutie.

Positio R+C

De mens evolueert door de tijden heen, zoals trouwens alles wat deel uitmaakt van zijn leefomgeving, evenals het universum zelf. Het is een kenmerk van alles 'wat in de gemanifesteerde wereld bestaat. Wij denken echter dat de evolutie .van de mens niet beperkt blijft tot de materiële aspecten van zijn leven, want wij zijn ervan overtuigd dat de mens een ziel heeft, dat wil zeggen, een spirituele dimensie. Volgens ons is de ziel datgene wat hem tot een bewust wezen maakt, ee:n wezen dat in staat is na te denken over zijn oorsprong en zijn bestemming. Daarom beschouwen wij de evolutie van de mens als een doel, spiritualiteit als een middel en de tijd als een openbarende factor.

Om de geschiedenis te begrijpen moet men niet zozeer uitgaan van de gebeurtenissen waaruit ze bestaat of die ze oproept, maar van de saroenhangen waardoor de gebeurtenissen met elkaar verbonden zijn. Bovendien verloopt ze in een bepaalde richting, iets wat de meeste moderne historici gaarne erkennen. Om de geschiedenis te begrijpen, moet men dus de gebeurtenissen als afzonderlijke elementen in overweging nemen, maar ook en vooral als onderdelen van een geheel. Wij menen namelijk dat een feit pas werkelijk historisch is in relatie tot het geheel waarvan het deel uitmaakt. Onderdelen en het geheel van elkaar scheiden of die splitsing tot de moraal van de geschiedenis maken, is intellectuele oplichterij. Zo bestaan er naast elkaar staande feiten, tegenstellingen, coïncidenties en bijkomende omstandigheden die niet aan het toeval geweten kunnen worden.

Zoals wij in de Proloog hebben gezegd, zien wij een bepaalde gelijkenis tussen de huidige wereldsituatie en de toestand van Europa in de 17e eeuw. Wat sommigen 'postmoderniteit' noemen, heeft op tal van gebieden vergelijkbare effecten teweeggebracht en helaas een zekere degeneratie van de mensheid veroorzaakt. Toch denken wij dat deze degeneratie slechts van tijdelijke aard is en dat zij tot een individuele en collectieve regeneratie zal leiden, op voorwaarde echter dat de mensen aan hun toekomst een richting geven die gekenmerkt wordt door menselijkheid en spiritualiteit. Als zij dat niet doen, stellen zij zich namelijk bloot aan nog ernstiger problemen dan waarmee zij op het ogenblik geconfronteerd worden.

Op grond van onze ontologie zien wij de mens als het meest geëvolueerde schepsel van alle op aarde levende wezens, zelfs al gedraagt hij zich vaak op een manier die met het oog op deze status onwaardig genoemd kan worden. Hij verkeert in deze bevoorrechte positie omdat hij zich bewust is van zichzelf en een vrije wil heeft. Hij is dus in staat te denken, en aan zijn leven volgens zijn eigen keuzen richting te geven. Ook nemen wij aan dat ieder menselijk wezen een elementaire cel is van een en hetzelfde lichaam: dat van de mensheid als geheel. Uitgaande van dit beginsel betekent humanisme voor ons dat alle mensen dezelfde rechten moeten hebben en hetzelfde respect en dezelfde vrijheid genieten, onafhankelijk van het land waar zij geboren zijn of waar zij wonen.

Wat onze opvatting van spiritualiteit betreft, deze berust enerzijds op de overtuiging dat God bestaat, als een absolute Intelligentie die het universum en alles wat dit bevat, geschapen heeft, en anderzijds op de zekerheid dat de mens een ziel bezit die van God emaneert. Sterker nog, wij denken dat God zich in de gehele schepping manifesteert door middel van wetten die de mens moet bestuderen, begrijpen en respecteren om gelukkig te worden. In feite menen wij dat de mensheid evolueert naar een waarachtig begrijpen van het goddelijk plan en dat zij bestemd is om op aarde een ideale maatschappij te creëren. Dit spiritualistisch humanisme mag misschien utopisch lijken, maar wij sluiten ons aan bij Plato, die in zijn 'Republiek' verklaart: «De utopie is de ideale staatsvorm. Misschien is het niet mogelijk haar op aarde te verwezenlijken, maar de wijze moet hierop wel al zijn hoop stellen.»

In deze overgangsperiode in de geschiedenis lijkt de regeneratie van de mensheid ons meer dan ooit mogelijk, vanwege de toenemende gelijkgerichtheid in het denken der mensen, de generalisering van de internationale uitwisselingen, de toenemende vermenging der culturen, de mondialisering van de informatie en de huidige interdisciplinaire aanpak van de verschillende takken van wetenschap. Maar wij denken dat de regeneratie, die zowel op individueel als op collectief niveau moet plaatsvinden, alleen tot stand kan komen door stimulering van het eclecticisme en een uitvloeisel hiervan, namelijk tolerantie. Geen enkele politieke instelling, en geen enkele godsdienst, filosofie of wetenschap bezit immers het monopolie van de waarheid. Wel kan men deze benaderen door het beste wat zij de mensheid te bieden hebben, samen te voegen, wat erop neerkomt dat men in de verscheidenheid de eenheid zoekt.

Vroeg of laat brengen de wisselvalligheden des levens de mens ertoe zich vragen te stellen over de reden van zijn aanwezigheid op aarde. Dit zoeken naar een rechtvaardiging is iets heel natuurlijks, want het is een wezenlijk deel van de menselijke ziel, en de basis van zijn evolutie. Bovendien worden de gebeurtenissen die de geschiedenis markeren niet alleen gerechtvaardigd door het feit dat ze bestaan; ze veronderstellen een oorzaak die buiten die feiten is gelegen. Wij denken dat deze oorzaak zelf deel uitmaakt van een spiritueel proces dat de mens ertoe brengt, zich vragen te stellen over de mysteries van het leven, en dit leidt ertoe dat hij op de een of andere dag belang gaat stellen in mystiek en de 'queeste naar waarheid'. Dit zoeken is weliswaar een natuurlijk verschijnsel, maar wij voegen hier aan toe dat de mens door een ingeving van zijn goddelijke natuur en door een biologisch overlevingsinstinct tot hoop en optimisme gedreven wordt. Wat dat betreft lijkt het verlangen naar transcendentie een levensvoorwaarde voor de menselijke soort te zijn.

Voor wat betreft de politiek, denken wij dat deze beslist nieuwe wegen moet inslaan. Onder de invloedrijke politieke modellen uit de 20e eeuw hebben het marxisme en leninisme, en het nationaalsocialisme, die beide gefundeerd waren op zogenaamd definitieve sociale postulaten, geleid tot een teruggang van het rationele denken en uiteindelijk tot barbarij. De deterministische opvattingen die met beide totalitaire ideologieën verband hielden, kwamen op noodlottige wijze in botsing met de menselijke behoefte aan zelfbeschikking; ze betekenden een verraad aan zijn recht op vrijheid en schreven tegelijkertijd een aantal van de zwartste bladzijden uit de geschiedenis. De geschiedenis heeft ze allebei gediskwalificeerd, hopelijk voorgoed. Hoe men er ook over moge denken, politieke systemen die 'monologisch ' zijn, dat wil zeggen, op één enkele gedachte gebaseerd, hebben vaak als gemeenschappelijk kenmerk dat ze de mens een heiJsleer opleggen die verondersteld wordt hem uit zijn onvolmaakte levens situatie te bevrijden en tot een paradijselijke situatie te verheffen. De meeste van dergelijke systemen verlangen van de burger trouwens niet dat hij nadenkt, maar dat hij gelooft, hetgeen ze in feite doet lijken op lekengodsdiensten.

Filosofische stromingen als die van de Rozekruisers daarentegen zijn niet monologisch, maar dialogisch en pluralistisch. Met andere woorden, ze moedigen de dialoog met anderen aan en bevorderen de intermenselijke betrekkingen. Daarnaast accepteren zij een veelheid van meningen en een verscheidenheid aan gedragsvormen. Dergelijke stromingen voeden zich dus met uitwisselmgen, interacties en zelfs contradicties, wat de totalitaire ideologieën anderen en zichzelf verbieden. Trouwens, vooral om haar dialogische en pluralistische filosofie is het Rozekruisersdenken altijd verworpen, door elk totalitair stelsel. Vanaf het eerste begin predikt onze broederschap het recht om vrijelijk een eigen mening te vormen en deze al even vrijelijk te uiten. Rozekruisers zijn wat dat betreft niet per se vrijdenkers, maar wel vrije denkers.

In de huidige wereldsituatie lijkt de democratie ons nog steeds de beste regeringsvorm, wat niet uitsluit dat ze haar zwakke kanten heeft. In elke echte democratie, gebaseerd op vrijheid van meningsvorming en meningsuiting, vindt men namelijk over het algemeen een veelheid van denkrichtingen, zowel onder de regeerders als onder de geregeerden. Helaas echter leidt deze veelheid vaak tot verdeeldheid, met alle conflicten van dien. Zo vertonen de meeste democratische staten scheidslijnen tussen verschillende groepen die voortdurend en bijna systematisch tegenover elkaar komen te staan. Het komt ons voor dat deze politieke scheidslijnen, die zich vaak rond een meerderheid en een oppositie bewegen, niet meer passen in de moderne maatschappij en remmend werken op de regeneratie van de mensheid. Het ideaal op dit gebied zou zijn dat ieder land streeft naar een regering waarin de meest geschikte personen (het meest geschikt om de staatszaken te behartigen) bijeengebracht zijn en alle denkrichtingen zich vermengen. Verder doordenkend, hopen wij dat er ooit een wereldregering komt waarin alle volkeren vertegenwoordigd zijn. De Verenigde Naties vormen daartoe nog slechts een eerste aanzet.

Voor wat de economie betreft, denken wij dat deze volkomen op drift geraakt is. Iedereen kan zien dat de economie steeds meer de menselijke activiteit bepaalt en dat ze steeds normatiever wordt. Tegenwoordig vertoont ze de vorm van gestructureerde netwerken, die veel invloed hebben en dus dirigistisch zijn, ongeacht hun uiterlijke schijn. Bovendien functioneert ze meer dan ooit op basis van bepaalde kwantitatieve waarden: productiekosten, rentabiliteit, winstverwachtingen, arbeidsduur enzovoorts Deze waarden zijn wezenlijk medebepalend voor het huidige economische systeem en verschaffen dit middelen om de doeleinden te bereiken die het nastreeft. Helaas zijn deze doeleinden in wezen materialistisch, aangezien ze gebaseerd zijn op winst en verrijking tot in het extreme. Zo is men ertoe gekomen de mens in dienst van de economie te stellen, terwijl juist de economie in dienst van de mens zou moeten staan.

In onze tijd zijn alle volkeren afhankelijk van een mondiale economie die men totalitair zou kunnen noemen. Dit totalitaire economische systeem voorziet niet in de meest elementaire behoeften van honderden miljoenen mensen, terwijl mondiaal gezien de geldmassa's nog nooit zo gigantisch groot geweest zijn. Dat wil zeggen, dat de door de mensen geproduceerde rijkdommen slechts aan een klein aantal mensen ten goede komt, wat wij ten zeerste betreuren. In feite zien wij dat de kloof tussen de rijkste en de armste landen steeds dieper wordt. Hetzelfde verschijnsel kan men ook tussen de minst en de meest bedeelden van ieder land waarnemen. Volgens ons komt dit doordat speculatie een te grote rol in de economie is gaan spelen en dat deze zich te veel richt op markten en belangen die eerder virtueel dan reëel zijn.

Het spreekt vanzelf dat de economie haar rol slechts kan vervullen wanneer zij in dienst van alle mensen gesteld wordt. Dit veronderstelt dat men het geld gaat zien als wat het behoort te zijn, namelijk een ruilmiddel en een energie, bestemd om iedereen te verschaffen wat hij nodig heeft teneinde in materieel opzicht gelukkig te kunnen leven. Wij zijn er daarom van overtuigd dat het niet de bestemming van de mens is om in armoede of zelfs in ellendige omstandigheden te leven maar, integendeel, te beschikken over alles wat tot zijn welzijn kan bijdragen, zodat hij in alle rust zijn ziet kan verheffen naar hogere bewustzijnsniveaus. Absoluut gezien zou de economie zo moeten worden gebruikt dat er geen armen meer zouden zijn en dat iedereen in goede materiële omstandigheden zou kunnen leven, want dat is het fundament van de menselijke waardigheid. Armoede is geen onvermijdelijk noodlot en ook niet het gevolg van een goddelijk besluit. Over het algemeen komt ze voort uit het egoïsme van de mens. Wij hopen dan ook dat ooit de dag aanbreekt dat samen delen en rekening houden met het algemeen welzijn de grondslag voor de economie zullen vormen. De natuurlijke rijkdommen van de aarde zijn echter niet onuitputtelijk en kunnen niet eindeloos uit~ gedeeld worden, zodat er ongetwijfeld geboorteregeling nodig zal zijn, met name in de overbevolkte landen.

Voor wat de wetenschap betreft, zijn wij van mening dat deze een bijzonder kritieke fase bereikt heeft. Zeker, het valt niet te ontkennen dat ze een grote ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat dankzij haar de mensheid grote vooruitgang heeft kunnen boeken. Zonder de wetenschap zou de mensheid nog steeds in het stenen tijdperk verkeren. Maar waar de Griekse beschaving vorm gegeven had aan een kwalitatieve opvatting van wetenschappelijk onderzoek, heeft de 17e eeuw een enorme omwenteling veroorzaakt door de suprematie van het kwantitatieve in te stellen, wat ook weer verband houdt met de ontwikkeling van de economie. Mechanistisch denken, rationalisme, positivisme enzovoorts, hebben geest en materie tot twee strikt gescheiden gebieden gemaakt en ieder verschijnsel teruggebracht tot een meetbaar fenomeen zonder subjectieve dimensie. Het 'hoe' heeft het 'waarom' verdrongen: Het is weliswaar een feit dat de onderzoekingen die de laatste decennia op gang zijn gebracht tot zeer belangrijke ontdekkingen geleid hebben, maar de financiële aspecten schijnen aanmerkelijk zwaarder te wegen dan de rest. Wij hebben nu de top van het wetenschappelijk materialisme bereikt.

Wij hebben onszelf tot slaven van de wetenschap gemaakt, meer dan we deze ondergeschikt hebben gemaakt aan onze wil. Kleine technologische storingen kunnen tegenwoordig de hoogst ontwikkelde samenlevingen in gevaar brengen, wat bewijst dat de mens een uitermate wankel evenwicht tussen het kwantitatieve en het kwalitatieve, maar ook tussen zichzelf en zijn scheppingen in het leven heeft geroepen. De materialistische doelen die hij in onze tijd door middel van wetenschappelijk onderzoek nastreeft, hebben tenslotte zijn geest op een dwaalspoor gebracht. Tegelijkertijd heeft hij hierdoor het contact met zijn ziel en met het meest goddelijke in zichzelf, verloren. Deze extreme rationalisatie van de wetenschap vormt een reëel gevaar dat de mensheid op middellange en misscitien op korte termijn bedreigt. Iedere samenleving namelijk waarin de materie de overhand heeft op de geest, doet het minst nobele in de menselijke natuur tot ontwikkeling komen. Zo'n maatschappij veroordeelt daardoor zichzelf tot een vroegtijdig einde, meestal onder tragische omstandigheden.

De wetenschap is in zekere zin een religie geworden, maar dan wel een materialistische religie, wat een paradox is. Ze is gebaseerd op een mechanistische benadering van het universum, de natuur en de mens: ze bezit haar eigen credo ('geloof alleen maar wat je ziet') en haar eigen dogma ('buiten de wetenschap bestaat er geen waarheid'). Overigens moeten wij wel opmerken dat het onderzoek gericht op het 'hoe' van de dingen, de wetenschap er steeds meer toe brengt zich het 'waarom' af te vragen, zodat ze zich langzamerhand van haar beperkingen bewust wordt en wat dit betreft dichter bij de mystiek komt. Sommige wetenschappers -weliswaar nog maar gering in aantal zijn er zelfs toe gekomen, het bestaan van God als hypothese te stellen. Het is belangrijk te weten dat in de Oudheid wetenschap en mystiek nauw met elkaar verbonden waren, zelfs zo sterk dat wetenschappers mystici waren, en omgekeerd. Juist aan de hereniging van die twee wegen van kennisverwerving zou men in de loop van de komende decennia moeten werken.

Het is noodzakelijk geworden, te heroverwegen wat kennis is. Wat is bijvoorbeeld de werkelijke betekenis van de herhaalbaarheid van een experiment? Is een stelling die niet in alle gevallen geverifieerd kan worden, noodzakelijkerwijs onjuist? Het lijkt ons hoog tijd het in de 17e eeuw opgekomen rationele dualisme te overstijgen, want in dit overstijgen schuilt ware kennis. Zo is bijvoorbeeld het feit dat het bestaan van God niet kan worden bewezen onvoldoende om te stellen dat Hij niet bestaat. De waarheid kan verschillende gezichten hebben; het in naam van de rationaliteit slechts één daarvan als waarheid aannemen, is een belediging van het verstand. Kan men trouwens werkelijk spreken van rationeel en irrationeel? Is de wetenschap zelf, die in het toeval gelooft, wel rationeel? Eigenlijk lijkt het ons veel irrationeler in het toeval te geloven dan dat niet te doen. Wat dit betreft, moeten wij zeggen dat onze broederschap zich altijd tegen de gangbare opvatting omtrent toeval heeft verzet; ze beschouwt. deze als een te gemakkelijke oplossing en als het loslaten van de werkelijkheid. Wij zien in toeval wat Albert Einstein erover heeft gezegd, namelijk: «De weg die God gebruikt wanneer hij anoniem wil blijven.»

De evolutie van de wetenschap werpt op ethisch en metafysisch gebied nieuwe problemen op. Ontegenzeglijk hebben genetische onderzoekingen grote vooruitgang in de behandeling van voorheen ongeneeslijke ziektes mogelijk gemaakt, maar ze hebben ook de mogelijkheid geschapen tot manipulaties, waardoor men door te klonen menselijke wezens kan scheppen. Deze wijze van voortplanten, kan slechts leiden tot een genetische verarming van de menselijke soort en tot degeneratie van de mensheid. Ze veronderstelt bovendien selectiecriteria die onvermijdelijk subjectiviteit vertonen en houdt dus risico's in op eugenetisch gebied. Bovendien houdt voortplanting door te klonen slechts rekening met het fysieke en stoffelijke deel van het menselijk wezen, zonder dat wordt stilgestaan bij de geest of de ziel. Daarom zijn wij van mening dat genetische manipulatie niet alleen schadelijk is voor de menselijke waardigheid, maar ook voor de mentale, psychische en spirituele integriteit van de mens. Wat dat betreft, stemmen wij in met het adagium: 'Weten zonder geweten strekt slechts tot verderf van de ziel'. Wanneer de mens zich de mens toeëigent, heeft dat in de geschiedenis alleen maar trieste herinneringen nagelaten. Het lijkt ons daarom gevaarlijk experimenten met het klonen van mensen in het bijzonder en van levende wezens in het algemeen, vrijelijk toe te staan. Eenzelfde vrees koesteren wij ten aanzien van manipulaties met betrekking tot het genetisch erfgoed van zowel dieren als planten.

Voor wat de technologie betreft, zien wij dat ook deze volop in ontwikkeling is. Van oudsher heeft de mens getracht gereedschappen en machines te maken om zijn levensomstandigheden te verbeteren en zijn werk efficiënter te verrichten. Dit verlangen had oorspronkelijk, in zijn meest positieve vorm, drie belangrijke doelstellingen: de mens in staat te stellen dingen tot stand te brengen die hij niet kon maken door alleen zijn handen te gebruiken; hem inspanning en vermoeidheid te besparen en tijd te winnen. Opmerkelijk is ook dat de technologie eeuwen -om niet te zeggen duizenden jaren lang -slechts gebruikt werd om de mens te helpen bij handenarbeid en fysieke activiteiten, terwijl ze hem in onze tijd ook op intellectueel gebied helpt. Bovendien is ze heel lang beperkt gebleven tot mechanische processen die directe interventie van de mens vereisten en aan het milieu geen of weinig schade toebrachten.

Technologie is alomtegenwoordig en vormt op dusdanige wijze het hart van de moderne samenlevingen dat ze praktisch onmisbaar geworden is. Ze heeft talloze toepassingen en omvat nu zowel mechanische, elektrische en elektronische procédés alsook procédés uit de informatica. Helaas heeft elke medaille haar keerzijde en zijn de machines een gevaar voor de mens zelf geworden. Want terwijl ze in het ideale geval bestemd waren om de mens te helpen en hem inspanningen te besparen, is het nu zo ver gekomen dat ze zijn plaats innemen. Bovendien valt het niet te ontkennen dat de voortschrijdende mechanisering een zekere ontmenselijking van de maatschappij ten gevolge heeft gehad, in die 'zin dat hierdoor de contacten tussen mensen, met name de fysieke en directe contacten, aanzienlijk zijn verminderd. Daarbij komen dan ook nog allerlei vormen van vervuiling die door de industrialisatie op veel gebieden is teweeggebracht.

Het feit dat de technologie veel sneller geëvolueerd is dan het menselijk bewustzijn heeft nu een probleem veroorzaakt. Wij denken dan ook dat het hoog tijd is dat de technologie breekt met het huidige modernisme en een werkzame kracht voor het humanisme wordt. Hiervoor is nódig dat de mens wordt teruggeplaatst in het middelpunt van het maatschappelijk leven. In overeenstemming met wat wij over de economie gezegd hebben, impliceert dit dat de machine weer zijn plaats in dienst van de mens terugkrijgt. Een dergelijk perspectief vereist een totále herwaardering van de materialistische waarden die de huidige maatschappij bepalen. Het veronderstelt dus dat alle mensen zich weer op zichzelf concentreren en eindelijk inzien dat de kwaliteit van het leven bevorderd moet worden, en dat de koortsachtige race tegen de klok moet ophouden. Dit is slechts mogelijk als de mensen opnieuw leren leven in harmonie, niet alleen met de natuur maar ook met zichzelf. Het ideaal zou moeten zijn dat de technologie zo evolueert dat zij de mens bevrijdt van zijn zwaarste taken en het hem tegelijkertijd mogelijk maakt, zich harmonisch in contact met anderen te ontplooien.

Voor wat de grote religies betreft, zijn wij van mening dat deze thans twee tegengestelde bewegingen vertonen: de ene middelpuntzoekend of centripetaal, de andere middelpuntvliedend of centrifugaal. De eerste beweging bestaat in een radicaal praktiseren wat men als vormen van fundamentalisme kan waarnemen, onder andere binnen het christendom, het jodendom, de islam en het hindoeïsme. De tweede komt tot uitdrukking door het minder vasthouden aan de eigen geloofsleer in het algemeen en aan de eigen dogma's in het bijzonder. De mens wil zich niet meer ophouden inde periferie van een geloofssysteem, zelfs niet van een religie die men geopenbaard noemt. Thans wil hij binnen een denksysteem worden geplaatst dat uit zijn eigen ervaringen is voortgekomen. Religieuze dogma's aanvaardt hij niet langer als vanzelfsprekend. De gelovigen hebben een zekere kritische zin ten aanzien van religieuze vraagstukken verworven, en hun eigen oordeel is in steeds sterkere mate bepalend voor het al of niet aannemen van geloofsovertuigingen. Daar waar de behoefte aan spiritualiteit vroeger een aantal religies heeft voortgebracht waarvan men zou kunnen zeggen dat ze een boomvorm vertonen (als bomen waren ze stevig geworteld in hun sociaal-culturele milieu, dat door die religies trouwens ook verrijkt werd), neemt die behoefte in onze tijd een structuur aan overeenkomend met die van wortelstokken die op vele plaatsen uitbotten; met andere woorden, de behoefte uit zich in talrijke en gevarieerde vormen. Maar waait de Geest niet waar Hij wil?

Zo ontstaan in onze tijd, in de marge of in de plaats van de grote religies, groepen van gelijkgestemden, gemeenschappen op basis van ideeën of denkstromingen waarbinnen de leerstellingen -eerder aangeboden dan opgelegd -met vrijwillige instemming aanvaard worden. Afgezien van de intrinsieke aard van deze geme~nschappen, groepen of bewegingen geeft hun grote aantal blijk van de verscheidenheid van de spirituele zoektocht. In het algemeen denken wij dat deze verscheidenheid een gevolg is van het feit dat de grote religies, die wij als zodanig respecteren, niet meer het monopolie van het geloof bezitten. Dit komt doordat ze steeds minder aan het menselijk vragen beantwoorden, en ook op innerlijk niveau zijn gevoel niet meer bevredigen. Misschien komt het ook doordat ze zich van de spiritualiteit verwijderd hebben. Ofschoon spiritualiteit in essentie onveranderlijk is, zoekt ze steeds nieuwe wegen om zich te uiten, door middel van 'voertuigen' die steeds beter zijn aangepast aan de evolutie van de mensheid.

Het overleven van de grote religies hangt meer dan ooit af van de mate waarin zij in staat zijn afstand te nemen van de geloofsovertuigingen en de meest dogmatische opvattingen waar voor zij in de loop der eeuwen gekozen hebben, zowel op moreel als op leerstellig gebied. Om te blijven voortbestaan, moeten zij zich beslist aanpassen aan de samenleving. Als zij geen rekening houden met de ontwikkeling van het menselijk bewustzijn, noch met de vooruitgang van de wetenschap, veroordelen zij zichzelf ertoe op kortere of langere termijn te verdwijnen, en niet zonder dat zij nog meer etnische, sociale en religieuze conflicten veroorzaken. In feite nemen wij aan dat hun verdwijning onvermijdelijk is en dat er uit die religies -door de mondialisering van het bewustzijn ~ een universele religie zal ontstaan, die het beste wat de religies de mensheid voor haar regeneratie te bieden hadden, in zich zal verenigen. Daarnaast denken wij dat vroeg of laat de behoefte om in God te geloven, vervangen zal worden door het verlangen, de goddelijke wetten, dat wil zeggen, de natuurwetten en de universele en spirituele wetten, te leren kennen. Wij gaan uit van de stelling dat geloven ooit plaats zal maken voor weten.

Voor wat de moraal betreft -in de zin die wij geven aan dit woord waarvan de betekenis onduidelijk is geworden -zijn wij van mening dat deze hoe langer hoe meer met voeten wordt getreden. Moraal verwijst voor ons niet naar blinde gehoorzaamheid aan sociale, religieuze, politieke of andere regels (om niet te zeggen: dogma's). Veel van onze medeburgers kijken op deze wijze tegen de moraal aan, vandaar dat ze tegenwoordig vaak verworpen wordt. Wij vinden dat het woord echter veeleer betrekking heeft op het respect dat ieder individu zou moeten hebben jegens zichzelf, de ander en zijn leefomgeving. Respect voor zichzelf houdt in dat men leeft in overeenstemming met zijn ideeën en dat men zichzelf geen gedrag toestaat dat men in anderen afkeurt. Respect voor de ander houdt gewoon in dat wij onze naaste niet aandoen wat wij zelf niet willen dat men ons aandoet; iets wat alle wijzen uit het verleden onderwezen hebben. Wat het respect voor de leefomgeving aangaat, durven wij te stellen dat dit voortvloeit uit respect voor de natuur en het behoeden daarvan voor de toekomstige generaties. Vanuit dit oogpunt impliceert moraal een evenwicht tussen ieders rechten en plichten, hetgeen dit begrip een dimensie van humaniteit verleent die niets moraliserends heeft.

Bekijken wij de moraal in de betekenis zoals wij die hierboven beschreven hebben, dan doet het probleem van de opvoeding zich voor. Het lijkt ons dat deze in een toestand van verval verkeert. De meeste ouders hebben het opgegeven, of beschikken niet meer over de nodige richtlijnen en aanknopingspunten om hun kinderen goed te kunnen opvoeden. Veel ouders schuiven deze taak van zich af en dragen die, om in de ontstane leemte te voorzien, over aan de scholen. Maar is het niet eerst en vooral de taak van leraren om te onderwijzen, dat wil zeggen, kennis over te dragen? Opvoeding daarentegen bestaat veel meer uit het inprenten van burgerlijke en ethische waarden. Wij delen dan ook de opvatting van Socrates, die de opvoeding beschouwde als 'de kunst om de deugden van de ziel te doen ontwaken', deugden als nederigheid, edelmoedigheid, eerlijkheid, verdraagzaamheid, vriendelijkheid enzovoorts. Afgezien van iedere overweging van spirituele aard denken wij dat ouders, en in algemenere zin alle volwassenen, kinderen deze deugden zouden moeten bijbrengen. Natuurlijk impliceert dit dat volwassenen zich toch minstens bewust zijn van de noodzaak die deugden te verwerven, zo zij ze al niet zelf verworven hebben.

U weet ongetwijfeld dat de Rozekruisers uit het verleden de materiële alchemie beoefenden, die erin bestond dat onedele metalen, met name tin en lood, in goud werden veranderd. Wat men vaak niet weet, is dat zij zich ook toelegden op spirituele alchemie. Wij, Rozekruisers uit de huidige tijd, hechten vooral belang aan deze vorm van alchemie, want daaraan heeft de wereld meer dan ooit behoefte.

Spirituele alchemie bestaat er voor ieder mens in dat hij al zijn gebreken omzet in tegenovergestelde kwaliteiten, om inderdaad de deugden te verkrijgen die wij hiervóór genoemd hebben. Wij zijn namelijk van mening dat juist deze deugden de menselijke waardigheid vormen, want de mens is zijn hoge status slechts waardig als hij ze tot uitdrukking brengt in wat hij denkt, zegt en doet. Er is geen twijfel aan dat de wereld een betere plaats zou zijn indien alle mensen, ongeacht hun religieuze opvattingen en hun politieke of andere ideeën, hun best zouden doen die deugden te verwerven. De mensheid kan en moet dus regenereren, maar daarvoor is nodig dat ieder mens zichzelf regenereert, ook op moreel gebied.

Voor wat de kunst betreft, denken wij dat deze in de loop van de afgelopen eeuwen, en meer in het bijzonder in de afgelopen decennia, veel intellectueler is geworden, hetgeen haar tot steeds grotere abstractie heeft gevoerd. Dit proces heeft de kunst in twee tegengestelde stromingen verdeeld: een elitaire en een populaire vorm van kunst. De elitaire kunst is de kunstvorm die zich in abstracties uit en die meestal alleen maar wordt begrepen door degenen die zichzelf ingewijden noemen of die door anderen zo worden genoemd. In een natuurlijke reactie zet de populaire kunst zich tegen deze tendens af door haar manieren om het concrete weer te geven, te versterken, soms op een overdreven figuratieve wijze. Maar hoe paradoxaal het ook moge klinken, beide stromingen duiken steeds dieper in de materie, de uitersten raken elkaar. Structureel en ideologisch is de kunst dus materialistisch geworden, net zoals de meeste terreinen van menselijke activiteit. In onze tijd is de kunst meer een uitdrukkingsvorm van de aandriften van het ego dan van de verlangens van de ziel, en dat betreuren wij.

Wij menen dat waarlijk geïnspireerde kunst op menselijk niveau de schoonheid en de zuiverheid van het goddelijk plan tot uitdrukking brengt. Zo is lawaai geen muziek, geklieder geen schilderkunst, fijnstampen geen beeldhouwkunst, zich in beweging afreageren geen dans. Voor zover het geen modeverschijnselen zijn, delen deze expressievormen een sociologische boodschap mee die men beter niet kan veronachtzamen. Natuurlijk kan men voor die vormen een zekere waardering hebben, maar het lijkt ons niet juist ze 'kunstzinnig' te noemen. Om een bijdrage te leveren aan de regeneratie van de mensheid moeten de kunsten, naar onze mening, hun inspiratie putten uit natuurlijke, universele en spirituele archetypen. Dit impliceert dat de kunstenaars 'zich verheffen' tot deze archetypen in plaats van 'zich te verlagen' tot de meest banale stereotypen. Daarnaast is het beslist nodig dat de kunsten zich een esthetisch doel stellen. Dit zijn voor ons de twee belangrijkste voorwaarden waaraan ze moeten voldoen om werkelijk bij te dragen tot bewustzijnsverhoging, en de menselijke vertolking van de kosmische harmonie te kunnen zijn.

Voor wat de relaties tussen de mens en zijn medemensen betreft, denken wij dat die steeds meer op eigenbelang gericht zijn en steeds minder ruimte laten voor altruïsme. Zeker, er komen vlagen van solidariteit voor, maar dat gebeurt meestal slechts bij bepaalde gelegenheden, ten tijde van rampen, zoals overstromingen, stormen en aardbevingen. In gewone tijden overheerst in het gedrag het 'ieder voor zich'. Naar onze mening is deze opkomst van het individualisme ook een gevolg van het extreme materialisme dat momenteel in de moderne samenleving heerst. Niettemin zou het isolement dat hieruit voortvloeit, vroeg of laat het verlangen naar en de behoefte aan hernieuwd contact met de ander moeten opwekken. Ook mag men hopen dat deze eenzaamheid ieder mens ertoe zal brengen zich meer op zijn eigen innerlijk te richten en zich uiteindelijk voor spiritualiteit open te stellen.

Ook de veralgemening van het geweld komt ons zeer zorgwekkend voor. Zeker, geweld heeft altijd bestaan, maar het komt meer en meer in het individuele gedrag tot uitdrukking. Erger nog, het komt op steeds jongere leeftijd voor. Op dit moment, in het begin van de 21e eeuw, kan het gebeuren dat een kind iemand anders doodt, zonder blijk te geven van enig gevoel. Bij dit reële geweld komt nog het fictieve geweld dat de bioscoop-en televisieschermen veroverd heeft. De eerste vorm van geweld dient als inspiratie voor de tweede en de tweede voedt de eerste. Zo ontstaat een vicieuze cirkel; het is hoog tijd deze te doorbreken. Het valt niet te ontkennen dat er vele oorzaken voor geweld zijn (sociale nood, het uiteenvallen van het gezin, verlangen naar wraak, een gevoel van onrechtvaardigheid enzovoorts), maar de belangrijkste factor in het ontketenen van geweld is het geweld zelf. Deze geweldscultuur is uiteraard zeer gevaarlijk en schadelijk en kan nooit opbouwend zijn, te meer daar de mensheid voor het eerst in de bekende geschiedenis de middelen heeft, zichzelf op planetaire schaal te vernietigen.

Het is een paradox van deze moderne tijd dat de mensen in de eeuw van de communicatie praktisch niet meer met elkaar communiceren. Leden van eenzelfde gezin voeren geen gesprekken meer, want zij zijn veel te druk bezig met luisteren naar de radio, met televisiekijken en surfen op het internet Op een algemener niveau dringt zich dezelfde constatering op: teledommunicatie verdringt de werkelijke communicatie. Daardoor plaatst ze de mens in een situatie van grote eenzaamheid en versterkt ze het individualisme waarover wij hiervoor gesproken hebben. Begrijp ons goed: individualisme als natuurlijk recht om op een autonome en verantwoordelijke manier te leven, komt ons absoluut niet afkeurenswaardig voor, integendeel zelfs. Maar het lijkt ons buitengewoon ernstig wanneer het een manier van leven wordt die gebaseerd is op de ontkenning van de ander, want dit draagt bij tot het uiteenvallen van het gezinsverband en de sociale samenhang.

Hoe tegenstrijdig het ook moge klinken, wij menen dat het huidige gebrek aan communicatie tussen onze medeburgers voor een deel het gevolg is van een teveel aan informatie. Het gaat er hierbij natuurlijk niet om, de kwestie van de verplichting tot het geven van informatie en het recht op informatie opnieuw ter discussie te stellen, want dit zijn de pijlers van elke ware democratie. Maar het lijkt ons dat de informatiestroom zowel te omvangrijk als te overweldigend geworden is, zodat informatie omslaat in haar tegendeel: desinformatie. Ook betreuren wij het dat ze zich vooral concentreert op de onzekerheden en bedreigingen van het menselijk bestaan en zozeer de negatieve kanten van het menselijk gedrag in het licht stelt. Daardoor geeft ze in hoge mate voeding aan pessimisme, droefheid en wanhoop; in het ergste geval zelfs aan achterdocht, verdeeldheid en wrok. Het is legitiem te tonen wat bijdraagt aan de lelijkheid van de wereld, maar het is in het belang van alle mensen dat men ook laat zien wat de wereld mooi maakt. Meer dan ooit heeft de wereld behoefte aan optimisme, hoop en eenheid.

Als de mens de mens beter zou gaan begrijpen, zou dat een belangrijke vooruitgang betekenen, radicaler nog dan de snelle ontwikkeling van wetenschap en technologie die in de 20e eeuw plaatsvond. Daarom moet iedere samenleving directe contacten tussen haar leden bevorderen, maar ook zichzelf voor de wereld openstellen. In dit verband bepleiten wij de idee van een broederschap der mensen, die ieder individu tot een wereldburger maakt, wat een einde zou maken aan alle discriminatie en segregatie op grond van ras, etnische verbondenheid, sociale status, religie, politieke overtuiging enzovoorts En ten slotte zou men zich moeten inzetten voor de komst van een echte vredescultuur, gebaseerd op integratie en samenwerking, iets waar Rozekruisers altijd al naar hebben gestreefd. Omdat de mensheid in essentie één geheel is, is geluk slechts mogelijk als men zich inzet voor het geluk van alle mensen, zonder uitzondering.

Voor wat de verhouding tussen mensen natuur betreft, zijn wij van mening dat deze over het geheel gezien nog nooit zo slecht is geweest. Iedereen kan constateren dat de gevolgen van de menselijke activiteit steeds schadelijker worden en steeds slechter voor het milieu zijn. Toch spreekt het vanzelf dat het overleven van de menselijke soort ervan afhangt of de mens in staat is het natuurlijke evenwicht op alle terreinen te respecteren. De ontwikkeling van de beschaving heeft tal van gevaren opgeleverd als gevolg van de biologische manipulatie van voedingsmiddelen, het op grote schaal gebruiken van vervuilende stoffen, de slecht gecontroleerde opslag van nucleair afval, om maar een paar van de belangrijkste bedreigingen te noemen. Natuurbescherming, en dus het behoeden van de mensheid, is een kwestie van burgerplicht geworden, terwijl vroeger alleen specialisten ermee te maken hadden. Bovendien is het nu een probleem op mondiale schaal. Dit alles is van des te meer belang omdat het concept 'natuur' veranderd is en de mens er een actieve rol in speelt: tegenwoordig kan men niet meer spreken van de 'natuur op zichzelf'. De natuur zal daarom worden wat de mens wil dat ze wordt.

Een van de kenmerken van de huidige tijd is het grote energieverbruik. Dit zou op zichzelf niet verontrustend zijn als het verstandig werd aangepakt. Maar wij zien dat de natuurlijke energiebronnen overbelast worden, zodat de voorraden (steenkool, gas, aardolie) langzamerhand uitgeput raken. Bovendien leveren sommige energiebronnen (kerncentrales) grote risico's op, die moeilijk in de hand te houden zijn. Ook zien wij dat ondanks recente pogingen tot overleg geen adequate maatregelen getroffen worden tegen sommige gevaren, zoals de uitstoot van gassen, met het broeikaseffect als gevolg, de woestijnvorming, de ontbossing, de vervuiling van de oceanen enzovoorts, omdat voldoende wil hiertoe ontbreekt. Behalve dat deze aanslagen op het milieu zeer grote gevaren voor de mensheid opleveren, zijn ze ook een teken van een groot gebrek aan volwassenheid en rijpheid, zowel op individueel als op collectief niveau. Wat men ook zegt, wij vinden dat de huidige klimaatschommelingen, met al hun stormen, overstromingen enzovoorts, een gevolg zijn van de agressieve manier waarop de mensheid reeds veel te lang met haar planeet omgaat.

Vanzelfsprekend is er nog een groot probleem dat in de toekomst in een steeds ingrijpender vorm aan de orde zal komen: het waterprobleem. Water is een element dat onmisbaar is voor het ontwikkelen en in standhouden van het leven. Alle levende wezens hebben het op de een of andere manier nodig. De mens vormt geen uitzondering op deze natuurwet, al was het maar omdat zijn lichaam voor zeventig procent uit water bestaat. Zoet water is tegenwoordig echter slechts in beperkte mate beschikbaar voor een op de zes bewoners van deze aarde. Deze verhouding zou binnen een halve eeuw wel eens een op de vier kunnen worden, ten gevolge van de groei van de wereldbevolking en de vervuiling van stromen en grote rivieren. De belangrijkste specialisten zijn het er vandaag over eens dat het 'witte goud', meer dan het 'zwarte goud', het belangrijkste twistpunt van de eeuw zal worden, met alle risico's voor conflicten die dat met zich kan meebrengen. Ook op dit gebied is mondiale bewustwording noodzakelijk.

Ook de luchtvervuiling brengt grote gevaren mee voor het leven in het algemeen en voor de menselijke soort in het bijzonder. Industrie, verwarming en transport dragen bij tot een achteruitgang van de luchtkwaliteit en vervuilen de atmosfeer, hetgeen een bron van risico's voor de volksgezondheid is. De stedelijke gebieden worden het sterkst getroffen door dit verschijnsel, waarvan de dreiging groter wordt naarmate de steden verder groeien. De te grote omvang van de steden vormt dan ook een niet te verwaarlozen gevaar voor het maatschappelijk evenwicht. Met betrekking tot de groei van de steden kiezen wij voor de mening die Plato, naar wie wij al eerder verwezen hebben, in zijn tijd verkondigde: «De stad kan zich uitbreiden tot aan het punt dat zij haar eenheid nog behoudt, maar niet verder:» Overdreven groei kan niet gunstig zijn voor een menswaardig bestaan, in de zin waarop wij dit begrip hebben omschreven. Verdeeldheid binnen de grote steden is er het onvermijdelijke gevolg van, waardoor er onbehagen en onveiligheid ontstaat.

Het gedrag van de mens ten opzichte van de dieren vormt ook een onderdeel van zijn relaties met de natuur. Hij heeft de plicht van ze te houden en ze te respecteren. Ze maken allemaal deel uit van de levensketen zoals deze zich op aarde manifesteert, en elk van hen is een agens van de evolutie. Ook dieren zijn op hun niveau voertuigen van de goddelijke ziel en vormen een onderdeel van het goddelijk plan. Wij gaan zelfs nog een stapje verder en zijn van mening dat de hoogst geëvolueerde dieren mensen in wording zijn. Om al deze redenen vinden wij de omstandigheden waaronder veel dieren worden gefokt en geslacht onwaardig. Vivisectie beschouwen wij als een barbaarse daad. In het algemeen gesproken zijn wij van mening dat broederschap alle wezens die het leven op deze aarde geplaatst heeft, moet omvatten. Wij zijn het dan ook geheel eens met de woorden die aan Pythagoras worden toegeschreven: «Zolang de mensen blijven doorgaan met het meedogenloos vernietigen van levende wezens uit de lagere rijken, zullen zij gezondheid noch vrede kennen. Zolang zij dieren afslachten, zullen zij ook elkaar doden. Want wie dood en pijn zaait, kan geen vreugde en liefde oogsten.»

Voor wat de relaties tussen de mens en het universum betreft, zijn wij van mening dat deze berusten op een onderlinge afhankelijkheid. Aangezien de mens een kind van de aarde is en de aarde een kind van het universum, is de mens een kind van het universum. Zo zijn ook de atomen waaruit het menselijk lichaam is opgebouwd afkomstig uit de natuur en zijn ze terug te vinden aan de buitenste grenzen van de kosmos, wat de astrofysici doet zeggen: «De mens is een kind van de sterren.» Maar al heeft de mens veel aan het universum te danken, het. universum heeft bok veel aan de mens te danken; niet zijn bestaan weliswaar, maar wel zijn reden va~ bestaan. Want wat zou het universum zijn als de ogen van de mens het niet konden aanschouwen, als zijn bewustzijn het niet kon omvatten, als zijn ziel zich er niet aan kon spiegelen? In feite hebben het universum en de mens elkaar nodig om zichzelf te kennen en te herkennen, wat ons herinnert aan het beroemde adagium: 'Ken u zelf, en u zult het universum en de goden kennen'.

U moet hieruit echter beslist niet afleiden dat wij een antropocentrische opvatting van de schepping zouden hebben. Wij maken de mens namelijk niet tot het middelpunt van het goddelijk plan. Laten wij liever zeggen dat wij de mensheid tot middelpunt van onze overwegingen maken. Volgens ons is de aanwezigheid van de mens op aarde niet het gevolg van toeval of van een samenloop van omstandigheden. Het is de consequentie van een bedoeling die haar oorsprong heeft in de Universele Intelligentie die men gewoonlijk 'God' noemt. Maar als God, vanwege zijn transcendentie, onbegrijpelijk en niet te bevatten is, dan geldt dat niet voor de wetten waardoor Hij zich in de schepping manifesteert. Zoals wij al eerder hebben gezegd, heeft de mens het vermogen -zo niet de plicht -deze wetten voor zijn eigen materiële en spirituele welzijn te bestuderen en toe te passen. Wij denken zelfs dat in de studie en toepassing van deze wetten niet alleen zijn reden van bestaan maar ook zijn geluk besloten ligt.

De relaties tussen mens en universum roepen ook de vraag op of er elders, buiten de aarde, leven is. Wij zijn ervan overtuigd dat dit inderdaad het geval is. Aangezien het universum ongeveer honderd miljard melkwegen telt en iedere melkweg ongeveer honderd miljard sterren, bestaan er waarschijnlijk miljoenen zonnestelsels die met het onze te vergelijken zijn. Het lijkt ons dan ook zeer bekrompen en een vorm van egocentrisme om te denken dat alleen onze planeet bewoond is. Onder de levensvormen op andere werelden zijn sommige waarschijnlijk verder geëvolueerd dan die op aarde, en andere minder ver. Alle echter maken deel uit van hetzelfde goddelijke plan en nemen deel aan de kosmische evolutie. Wat betreft de vraag of buitenaardse wezens in staat zijn contact op te nemen met onze mensheid: wij denken dat dit zo is, maar wij gaan er beslist niet op wachten. Wij hebben andere prioriteiten. Overigens zal het plaatsvinden van dit eerste contact -want dat zal komen -een ongekende gebeurtenis zijn. Dan zal namelijk de geschiedenis van de mensheid opgaan in die van het universele leven ...

Epiloog

Geachte lezer,

Hier is dus wat wij u graag met dit Manifest wilden zeggen. Misschien komt het verontrustend op u over? Wees er echter verzekerd van dat wij alleen al vanwege onze filosofie optimistisch zijn, want wij hebben vertrouwen in de mens en zijn bestemming. Als men kijkt naar wat hij zoal aan nuttigs en moois heeft geschapen op het gebied van wetenschap, technologie, architectuur, kunst, literatuur of op andere gebieden, en als men denkt aan de meest nobele gevoelens die hij in staat is te ervaren en tot uitdrukking te brengen, zoals verwondering, mededogen, liefde enzovoorts, dan kan men er niet aan twijfelen dat hij iets goddelijks in zich heeft en dat hij in staat is zichzelf te overstijgen om het goede te doen. Wat dat betreft denken wij, ook al lopen wij daarbij opnieuw het risico utopistisch te lijken, dat de mens het vermogen bezit van de aarde een oord van vrede, harmonie en broederlijkheid te maken. Dat hangt alleen maar van hemzelf af.

De huidige wereldsituatie is niet wanhopig, maar wel verontrustend. Wat ons het meest verontrust, is niet de toestand van de mensheid maar die van onze planeet. Wij denken namelijk dat voor de spirituele evolutie van de mens de tijd niet telt, want zijn ziel is onsterfelijk en hij heeft om zo te zeggen de hele eeuwigheid om deze evolutie tot een goed einde te brengen. De aarde daarentegen wordt op middellange termijn reëel bedreigd, op zijn minst als leefomgeving voor de menselijke soort. Haar tijd is dus wel geteld, en naar onze mening staat haar behoud in de 21 e eeuw werkelijk op het spel. Politiek, economie, wetenschap, technologie en, in het algemeen, alle gebieden van menselijke activiteit zouden zich op het behoud van de aarde moeten toeleggen. Is het echt zo moeilijk te begrijpen dat de mensheid alleen geluk kan vinden door in harmonie met de natuurwetten, en in meer omvattende zin met de goddelijke wetten, te leven?

Is het aan de andere kant zo onredelijk aan te nemen dat ze de mogelijkheid heeft zich, in haar eigen belang, tot een hoger niveau te verheffen? Hoe dan ook, als de mensen in het huidige materialisme blijven volharden, zullen de somberste profetieën in vervulling gaan en zal niemand gespaard worden.

De politieke ideeën, religieuze opvattingen en filosofische overtuigingen van de enkeling doen er niet zoveel toe. Het is nu niet meer de tijd voor verdeeldheid, in welke vorm dan ook, maar voor verbondenheid: het overwinnen van alle verschillen, ten dienste van het algemeen welzijn. Zo telt onze Broederschap in haar rijen christenen, joden, islamieten, boeddhisten, hindoes, animisten en zelfs agnostici. Ze brengt ook personen uit alle sociale klassen en vertegenwoordigers van alle gangbare politieke stromingen samen. Mannen en vrouwen zijn er volkomen gelijkwaardig en ieder lid geniet dezelfde voorrechten. Het is deze eenheid in verscheidenheid die de kracht van ons ideaal en onze Egrégore uitmaakt. Dit komt doordat verdraagzaamheid de deugd is die wij het meest koesteren, en dat betekent nu juist het recht op verschil. Het maakt ons niet tot wijzen, want wijsheid omvat nog heel wat andere deugden. Wij beschouwen onszelf eerder als filosofen, wat letterlijk wil zeggen, 'mensen die de wijsheid liefhebben'.

Alvorens ons zegel op deze 'Positio' af te drukken en er zodoende het stempel van onze Broederschap aan te verlenen, willen wij haar afsluiten met een invocatie die men 'Rozekruisers Utopie' zou kunnen noemen, in de zin die Plato aan dit woord hechtte. Wij doen een beroep op de goede wil van allen en van ieder mens afzonderlijk, opdat deze utopie op een dag werkelijkheid moge worden, voor het hoogste goed van de mensheid. Misschien zal die dag nooit aanbreken, maar als alle mensen hun best doen erin te geloven en in overeenstemming ermee handelen, dan kan de wereld alleen maar beter worden ...

Rozekruisers Utopie

God van alle mensen, God van al het leven,

In de mensheid waarvan wij dromen,

Zijn de politici te diepste humanistisch en werken in dienst van het algemeen welzijn,

Beheren de economen de staatsfinancien met gezond verstand en in aller belang,

Zijn de geleerden spiritueel ingesteld en zoeken zij inspiratie in het Boek van de Natuur,

Zijn de kunstenaars geinspireerd en brengen zij un hun werken de schoonheid en de zuiverheid van het goddelijk plan tot uitdrukking,

Zijn de artsen bezield door liefde voor hun naasten en behandelen zij zowel de zielen als de lichamen,

Is er geen ellende of armoede meer, want iedereen bezit wat hij nodig heeft om gelukkig te leven,

Wordt werk niet beleefd als een verplichting, maar als een bron van ontplooiing en welzijn,

Wordt de natuur als de mooiste tempel beschouwd en de dieren als onze broeders op weg naar evolutie,

Bestaat er een wereldregering, gevormd uit leiders van alle naties, werkend in het belang van de gehele mensheid.

Is spiritualiteit een ideaal en een manier van leven, ontsproten aan een universele religie die meer gebaseerd is op kennis van de goddelijke wetten dan op geloof in God.

Berusten de menselijke relaties op liefde, vriendschap en broederlijkheid, zodat de gehele wereld in vrede en harmonie leeft.

Zo moge het. zijn!

Verzegeld op 20 maart 2001
Het Rozekruisersjaar 3354

Niet alle velden zijn (juist) ingevuld