Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg

Klik hier om naar de webshop te gaan.

0
Registreren

INLOGGEN

Heeft u nog geen account?
Maak er hier één aan.


Bent u uw wachtwoord vergeten?
Slide01

De Confessio Fraternitatis

De Geschiedenis van de Rozekruisers-filosofie
Vanaf haar oorsprong tot in onze tijd

In het jaar na de publicatie van de 'Fama Fraternitatis' in 1615 liet drukker Wilhelm Wessel te Kassel een tweede Manifest verschijnen. Net als het vorige dat als bijlage bij 'Nouvelles du Parnasse' (Nieuws van de Parnassus) was gepubliceerd, wordt het aansluitend op een andere tekst uitgegeven: 'Secretioris Philosophiæ Consideratio Brevis à Philippo à Gabella ...', dat wil zeggen: (Korte Overweging van de meest Geheime Filosofie, geschreven door Philippo à Gabella, student in de filosofie, voor de eerste keer bijgewerkt uitgegeven met de Confessio van de Broederschap R.C.).(1) De schrijver van deze tekst blijft onbekend. In de inleiding zegt hij dat het om een verhandeling over filosofie gaat en merkt op "dat deze is opgeluisterd met verslagen, studies en de kennis van de Broederschap van het Rozekruis." Dan volgt een kort voorwoord, getekend 'Frater R.C.', waarin de schrijver aangeeft dat hij deze 'Overweging' volledig heeft ontleend aan Hermes, Plato, Seneca en andere filosofen. De tekst wordt afgesloten met een gebed, ondertekend met 'Philemon R.C.'.


De Monade


Deze 'Korte Overweging' heeft niets van Hermes of andere filosofen. Het gaat in werkelijkheid om een bewerking van een werk van John Dee (1527 - 1608), 'Monas Hieroglyphica' uit 1564. In dit boek had de leider van de Elizabethaanse Renaissance zich voorgenomen in tachtig stellingen een hiëroglyfe uit te leggen: de 'Monade'. Op de wijze van Henri Cornelius Agrippa, van wie hij een hij trouw lezer was, vormde John Dee dit magische teken door zich op de geometrie te baseren. Volgens Pierre Bréhar is er aan de Monade een magische kant; daarnaast is het een alchemistisch symbool dat duidt op de Steen van de alchemisten, het Mercuur der Wijzen.(2) De teksten die overigens voorkomen in de tekeningetjes op de schets die het voorblad van het werk van John Dee versiert, verwijzen naar kwikzilver en dauw,(3) waarin Basil Valentin de kiem van de Steen, het smaragd van de filosofen zag.

Fulcanelli heeft het verband tussen het Rozekruis en dauw onderstreept. Hij zegt hierover dat volgens de 'Dictionnaire des arts et sciences' (woordenboek over kunsten en wetenschappen) uit 1731 van Thomas Corneille "de grote meesters van het Rozekruis 'Broeders van de gekookte dauw' werden genoemd, een betekenis die zij zelf aan de initialen van hun Orde F.R.C. gaven."(4) Het symbool dat John Dee samenstelde, zal door allerlei schrijvers worden overgenomen, zoals Heinrich Khunrath in zijn 'Amphitheatrum sapientiæ æternæ', Johann Valentin Andreæ in 'De Chymische Bruiloft van Christian Rosenkreutz' en Robert Fludd in 'Utrusque cosmi historia'.


De Confessio Fraternitatis


Het eerste Manifest kondigde de komende uitgave van een 'Belijdenis' aan, waarin de zevenendertig redenen zouden worden vermeld, waarom de Orde haar bestaan openbaar maakt. Het tweede geeft deze redenen niet, maar wordt gepresenteerd als een aanvulling die duidelijker wil zijn door "de wat onpeilbare en duistere passages van de Echo's" opnieuw te formuleren. De 'Confessio Fraternitatis of Belijdenis van de opmerkelijke broederschap van de zeer achtenswaardige R.C. aan het adres van de geleerden in Europa' bevat veertien hoofdstukken, een indeling die niet altijd in de volgende uitgaven bewaard zal blijven. In deze tekst benadrukken de Rozekruisers dat zij het tegengif bezitten voor de ziekte die wetenschap en filosofie aantast, want zij hebben de sleutel tot alle kennis, of het nu kunst, filosofie, theologie of geneeskunde betreft. Zij geven ook nieuwe aanwijzingen over de bronnen van hun kennis, door aan te geven dat deze niet alleen voortgekomen is uit het onderzoek door Christian Rosenkreutz maar ook uit de openbaringen die hij door goddelijke verlichting en dankzij de diensten van de engelen ontving.


Het Chiliasme, (het geloof aan een duizendjarig vrederijk op aarde)


Hoewel de tekst van het eerste Manifest, uitgezonderd de brief van Haselmayer, niet zinspeelde op de profetie van de Leeuw van het Noorden, vermeldt de 'Confessio Fraternitatis' deze wel met de aankondiging dat zijn "schatten ongeschonden zullen blijven, totdat de Leeuw komt" (hfst.6) (5) en laat het brullen van deze leeuw samenvallen met de aanstaande val van de paus (hfst.5). In het algemeen kan men zeggen dat dit nieuwe Manifest een chiliastisch gezichtspunt weergeeft. Na het optimisme dat de 'Fama Fraternitatis' door middel van aanplakbiljetten verkondigde - ze zag de aanvang van een nieuwe eeuw, verrijkt met de bijdrage van nieuwe kennis - lijkt de 'Confessio Fraternitatis' pessimistischer. Deze kondigt namelijk aan dat de wereld "op het punt staat de rusttoestand te bereiken ... na de voltooiing van zijn periode en zijn cyclus" (hfst.1). Dit einde der tijden is het einde van het Millennium, de periode van duizend jaar die volgt op de zesduizend jaar die al verlopen zijn (verwijzing naar de profetie van Elia), want de Rozekruisers hebben als opdracht gekregen de 'zesde kandelaar' te ontsteken (hfst.4). Dit tijdperk komt overeen met het derde tijdperk van Joachim da Fiore, dat van de Heilige Geest, waarin het zesde zegel bijna wordt geopend. De Rozekruisers bieden hun onthulling aan als een laatste, door God aangeboden, genade "aan de wereld waarvan het einde weldra zal volgen" (hfst.7). Hierdoor kan de mensheid enige tijd genieten van een "leven en een luister die lijkt op wat Adam in het Paradijs verloren en verspild heeft" (hfst.7). De 'Confessio Fraternitatis' herhaalt hier een element uit het eerste Manifest, de 'oorspronkelijke openbaring', die Adam na de val zou hebben ontvangen.

Men kan zich afvragen of de schrijvers van dit Manifest werkelijk dachten dat het einde der tijden gekomen was. Dit tijdperk kan immers als relevant beschouwd worden, niet in de gewone geschiedenis maar om de uitdrukking van Henry Corbin te herhalen, in de 'metageschiedenis'.(6) Het gaat niet om een relevante gebeurtenis in een menselijk tijdperk, maar om een tijdperk van de geest dat binnenin de ziel, die door verlichting is geregenereerd, ervaren wordt. De 'Confessio Fraternitatis' spreekt overigens over de Rozekruisers als over mensen die het vermogen hebben zich in de tijd - het verleden of de toekomst - te projecteren, en ook naar verafgelegen landstreken (hfst.4).


Het Liber Mundi


De 'Confessio Fraternitatis' komt terug op een thema dat in het eerste Manifest is aangesneden : het 'Liber Mundi' of 'Boek van de Wereld', en vermeldt "de grote letters en tekens die God de Heer in het bouwwerk van hemel en aarde heeft gegraveerd" (hfst.6). We treffen daar een essentieel aspect van het denken van Paracelsus aan. Voor hem is met de Bijbel het Boek van de Natuur het enige fundamentele boek. Immers, de "letters die God voortdurend in de heilige Bijbel heeft opgenomen, heeft hij ook in alle duidelijkheid afgedrukt in de wonderbaarlijke schepping, namelijk de hemelen en de aarde, en alle dieren" (hfst.9). De gedachte dat de Natuur de sleutel is tot alles wat bestaat, dat ze niet een mechanisch systeem van wetten is, maar een levende werkelijkheid waarmee de mens in dialoog moet treden met de bedoeling van 'mede-geboorte', wordt ontleend aan Paracelsus.


De bijbel


Hoewel het tweede Manifest belang hecht aan het Boek van de Natuur, legt het de nadruk op het belang van het geopenbaarde Woord en spoort aan dit "steeds te lezen en toe te passen". Het belijdt "dat er sinds het begin van deze wereld geen boek heeft bestaan dat superieur is aan de Bijbel" (hfst.10). Door hem van tirannie te beschuldigen, wordt de paus in de 'Confessio', zoals dat ook in de 'Fama' gebeurde, uitgemaakt voor al wat lelijk is. "De slang zal ophouden met sissen" (hfst.11) en "onze klauwen zullen hem letterlijk in stukken scheuren" (hfst.5), voegt 'De Confessio' eraan toe en kondigt de definitieve vermorzeling van de paus aan. Het betreft een thema dat veelvuldig in de 'Pronosticationes' en 'Practica' van Paracelsus gevonden wordt. Deze houding die in protestantse kringen die de paus als de antichrist beschouwen, volledig begrepen wordt, zal het begin zijn van de grote vijandigheid van het Rooms-katholicisme jegens de Rozekruisersfilosofie. Waarschijnlijk om de al eerder gegeven lofrede op de Arabische beschaving te nuanceren, stelt het tweede Manifest ook Mohammed verantwoordelijk. Deze laatste vermelding kan echter een herhaling zijn uit de 'Naometria', die de "de paus en zijn zoon in het verderf Mohammed" veroordeelt.


Alchemie, hervormingen


De 'Confessio Fraternitatis' komt terug op de kritiek in het eerste Manifest, gericht tegen de pseudo-alchemisten. Voor de Rozekruisers moet de ware alchemie leiden tot 'kennis van de Natuur', maar deze is secondair, want het voornaamste is, onze aandacht te richten op "het verwerven van de intelligentie en de kennis van de filosofie" (hfst.11). De Orde maant ook aan tot de grootste voorzichtigheid ten opzichte van de sterke toename van boeken over alchemie die in die tijd grote faam genoten. De XVIIe eeuw is namelijk het tijdperk dat de hoogste publicatie van boeken over het Grote Werk kent. (7)


De Burcht van de waarheid


De 'Confessio Fraternitatis' vermeldt dat naar het beeld van de wijzen uit de stad Damcar de Rozekruisers worden "belast met de organisatie van het bestuur in Europa." Zij zeggen over een plan te beschikken dat voor dit doel door Christian Rosenkreutz is opgesteld. Evenals in het eerste Manifest nodigen de Rozekruisers de mensen uit hun tijd uit zich bij hun Broederschap te voegen, en stellen zoekers voor zich met hen te verenigen om een 'nieuwe burcht der waarheid' te bouwen. Zij beloven aan allen die ingewijd willen worden dat zij alle weldaden van de Natuur: gezondheid, alwetendheid en innerlijke rust, zullen erven. Zij waarschuwen echter diegenen die "de schittering van het goud verblindt," en die zich bij hun Broederschap willen aansluiten met het doel er materieel voordeel uit te halen, dat zij nooit zullen worden uitgekozen, toe te treden.

Al met al kunnen we zeggen dat de 'Confessio Fraternitatis' meer de nadruk legt op godsdienst dan de 'Fama Fraternitatis'. De Bijbel komt ter versterking van het Boek van de Natuur. De 'Confessio' probeert de erfenis van de Renaissance terug te krijgen ten gunste van een christelijk chiliasme (met het verschil dat de 'Confessio' niet de wederkomst van Christus vermeldt) en kondigt het naderbij komen aan van de uiteindelijke openbaring onder auspiciën van het Rozekruis.


De bronnen


Talloze zoekers hebben zich afgevraagd wie de schrijver of schrijvers van de twee eerste Rozekruisers Manifesten was of waren. Deze vraag houdt eigenlijk rechtstreeks verband met de vraag naar de bronnen waar de gedachten voor deze teksten aan zijn ontleend. Men kan er de invloed van de Middeleeuwen in opmerken: de onfeilbare axiomatiek (leer van de grondregels) waarnaar de Manifesten verwijzen, vermeldt de 'Ars Magna' van Raimundus Lullius, van wie de grote Straatsburgse uitgever, Lazarus Zetzner, (8) kort daarvoor de werken had uitgegeven (1598). De Rijnlandse mystiek heeft ook veel invloed gehad op de schrijvers van de eerste Rozekruisers geschriften, in het bijzonder door Johann Arndt (1555 - 1621), over wie wij verderop in dit artikel zullen spreken. De 'Fama' en de 'Confessio' putten voornamelijk uit drie stromingen van de Traditie: het Paracelsisme, het Neo-Joachimisme en het Hermetisme uit de Renaissance.(9)

Het is niet toevallig dat Paracelsus de enige schrijver is die door de Manifesten wordt geprezen. Hij vormt namelijk een essentiële bron van de gedachten die zij weergeven. De noodzaak de kennis die op verschillende plaatsen in de wereld verworven is, te verdelen, het feit dat de mens een microkosmos is, de verwijzing naar het 'Liber Mundi' en naar de bewoners van de elementaire werelden en ook de metafoor van de pit zijn thema's die de Manifesten ontlenen aan het Paracelsisme. Wij kunnen hier nog aan toevoegen dat in de graftombe van Christian Rosenkreutz een boek werd aangetroffen dat als het 'Vocabularium von Theoph. P. ab Ho' wordt aangeduid en is geïdentificeerd als een van de woordenboeken met termen van Paracelsus die in de XVIIe eeuw zijn uitgegeven. Deze ontleningen zijn in zoverre logisch dat in de tijd van de Manifesten de teksten van Paracelsus veel gelezen werden. Johann Huser had tussen 1589 en 1591, na uitgebreid onderzoek van de manuscripten van Paracelsus, diens verzamelde werken uitgegeven. Hij liet er tussen 1603 en 1605 bij Lazarus Zetzner, de toekomstige uitgever van de werken van Johann Valentin Andreæ, een tweede editie in tien delen van verschijnen.


Neo-Joachimisme


Het neo-joachimisme komt zeer veel voor in de Manifesten. Zoals wij in een vorig artikel hebben aangetoond, stonden de theorieën van Joachim da Fiore in de XVIe eeuw opnieuw in de belangstelling, net als de Profetie van Elia of die van de Leeuw van het Noorden; even zovele voorspellingen die de komst van nieuwe tijden aankondigen. Het hermetisme uit de Renaissance komt in de Rozekruisers teksten speciaal voor samen met de alchemie en de wetenschap der getallen. We zien echter dat zowel de joodse als de christelijke kabbala er een geringe plaats in innemen. Andere invloeden zijn ook duidelijk zichtbaar, zoals de invloed van de tijd die als cyclisch wordt weergegeven. Deze teksten zouden zeer goed kunnen verwijzen naar het ismaëlisme, waarvan Damcar een van de centra was.


De Kring van Tübingen


Door studie van de gedachten in de Manifesten kunnen wij hypothesen opstellen over de schrijvers ervan. De meeste van de huidige deskundigen zijn het er over eens dat zij niet het werk van één persoon zijn maar van een groep studenten en zoekers uit Tübingen, een stadje in Würtemberg. Zij worden de 'Groep' of 'Kring van Tübingen' genoemd. Deze werd tegen 1608 gevormd en omvatte een dertigtal mensen die gefascineerd waren door de alchemie, de kabbala, de astrologie en de christelijke mystiek. De groep omvatte Johann Arndt, Johann Valentin Andreæ, Tobias Hess, Abraham Hölzel, de predikant Vischer, Christoph Besold en Wilhelm von Wensche, om alleen de voornaamste leden te noemen. Zij ontwikkelden het plan voor een nieuwe hervorming welke die van Luther en Calvijn, die zij niet voldoende vonden, zou aanvullen. Twee van hen, Tobias Hess en Abraham Hölzel, waren eerder betrokken geweest bij een beweging die op de universiteiten werken over esoterie en mystiek liet rondgaan.


Johann Arndt


Johann Arndt (1555 - 1621) die door Johann Valentin Andreæ als zijn spirituele vader werd beschouwd, zou de raadsman van deze groep kunnen zijn geweest. Hij was predikant, theoloog, arts, alchemist, gefascineerd door Tauler en Valentin Weigel (10) en een populair wetenschappelijk schrijver over 'Imitatio Christi' ('De Navolging van Christus'). Volgens een brief van hem van 29 januari 1621 aan de hertog van Brunswijk wilde hij de studenten en onderzoekers van de polemische theologie hiervan afhouden om ze te verenigen in een levend geloof, in een beoefening van de devotie. Zijn mystieke neigingen vallen op in zijn preken over de Evangeliën of over de Kleine Catechismus van Luther, en in zijn gebedenboek 'Paradis Gärtlein Aller Christlichen Tugenden' (paradijstuintje van alle christelijke deugden) uit 1612. Hij heeft een van de - tot de XIXe eeuw - meest gelezen teksten over vroomheid geschreven: 'Vier Boecken van het waere Christendom' (A'dam 1631). Hij was zowel mysticus als alchemist en heeft geprobeerd de erfenis van Paracelsus in de middeleeuwse theologie te integreren; in zijn boeken ontwikkelt hij de gedachte van een innerlijke alchemie, een spirituele wedergeboorte. Hij is de schrijver van een commentaar bij de gravures van het 'Amphitheatrum sapientiæ æternæ' van Heinrich Khunrath.

Roland Edighoffer heeft aangetoond dat een hele passage van de 'Confessio Fraternitatis' die het Boek van de Natuur vermeldt, bijna woord voor woord een uittreksel is uit het laatste boek van de 'Vier Boecken...' van Johann Arndt.(11) In zijn 'De Antiqua Philosophia' uit 1595 benadrukt hij het feit dat wijsheid niet ligt in speculatie, maar in toepassing, een gedachte die wij in de Manifesten terugvinden. Hij wordt beschouwd als een van de bezielende krachten van het piëtisme. In 1691 zullen J. Kelpius en zijn leerlingen zijn werken naar de Nieuwe Wereld brengen. Volgens een brief van Johann Arndt die in de papieren van de theosoof Christophe Hirsch is teruggevonden, zou Johann Valentin Andreæ hebben toegegeven dat hij de 'Fama Fraternitatis' samen met dertig andere personen schreef. Een andere brief van Johann Valentin Andreæ aan zijn vriend Comenius zegt hetzelfde. De authenticiteit van deze brieven werpt echter problemen op.(12)


Tobias Hess


Van de leden van de Kring van Tübingen is Tobias Hess (1558 - 1614) degene die het beste de verschillende elementen in de Manifesten lijkt te combineren. Hij was lid van de universiteit van Tübingen, Paracelsistisch medicus, kabbalist, filosoof, een bewonderaar van Simon Studion, Julius Sperber en Joachim da Fiore en hij speelde waarschijnlijk een fundamentele rol in de redactie van de 'Fama' en de 'Confessio'. In 1605 wordt hij ervan beschuldigd de 'naometrie' te praktiseren en vervolgd omdat hij het chiliasme bevorderde in publicaties waarin hij zich ten gunste van een wereldhervorming uitspreekt. De 'Fama' geeft zijn idee weer volgens welk men kan zeggen: "Het is onwaar te beweren dat wat waar is in de filosofie, onwaar is in de theologie." Hij werd er ook van beschuldigd de bezielende kracht achter een geheim genootschap te zijn geweest. Zelfs al geven de aanklagers de naam van dit genootschap niet, het gaat waarschijnlijk om de Orde van het Rozekruis waarvan het eerste Manifest in die tijd als manuscript in omloop was.

Tobias Hess onderhield goede betrekkingen met Oswald Crowlius, een leerling van Paracelsus. Vanwege zijn talenten als medicus had Tobias Hess Valentin Andreæ genezen van een vreselijke koorts en de laatste bewonderde hem zeer. Hij sterft in 1614, net voor de uitgave van de Manifesten en Johann Valentin Andreæ spreekt zijn grafrede uit (zie illustratie op blz. ..). Deze tekst werd later gedrukt en bevat merkwaardig genoeg, zoals Roland Edighoffer opmerkt, twee schuin gedrukte woorden: 'Tobias Hess' en 'Fama', de enige in het boek die dat zijn, als om een verband tussen beide te benadrukken. We moeten nog een opmerkelijk feit noemen: in 1616 geeft Johann Valentin Andreæ anoniem 'Theca gladii spiritus' uit en wijst er in het voorwoord op dat dit een boek van Tobias Hess is. Welnu, achtentwintig passages uit dit boek zijn aan de 'Confessio' ontleend. Later zal hij in zijn autobiografie toegeven dat alle teksten die in 'Theca' voorkomen van hemzelf zijn. Moet hieruit geconcludeerd worden dat hij deels of volledig de schrijver was van de 'Confessio Fraternitatis'?


Johann Valentin Andreæ


In zijn 'Unparteyische Kirchen - und Ketzer - Historien' (Geschiedenis van de Kerk en de ketters) maakt Gottfried Arnold al in 1699 van Johann Valentin Andreæ de schrijver van de Rozekruisers Manifesten. Deze theorie heeft lange tijd veel gezag. Het moet gezegd worden dat het hier om een buitengewoon interessante persoon gaat. Wij zullen meer over zijn persoonlijkheid vermelden als wij aan het derde Manifest toe zijn, 'De Chymische Bruiloft van Christian Rosenkreutz'. Toch heeft Johann Valentin Andreæ ontkend banden met het Rozekruis te hebben, en in een van zijn boeken, 'Menippus' uit 1617, spreekt hij erg hard over de Broederschap van het Rozekruis, die hij voor 'ludibrium' uitmaakt, dat wil zeggen, een klucht, spotternij. Deze woorden zijn evenwel, zoals Frances Yates aangaf, uit de mond van Andreæ niet per se negatief, want hij hechtte veel belang aan de morele invloed van verhalen en toneel.(13) Zijn literaire productie getuigt trouwens van deze belangstelling.(14) Wij voegen er nog aan toe dat hij zijn hele leven zijn best heeft gedaan, genootschappen of verenigingen te organiseren die op veel punten overeenkwamen met het plan in de Manifesten. Het lijkt erop dat Andreæ voornamelijk ter bescherming van zijn kerkelijke loopbaan officieel stelling neemt tegen de Manifesten. We moeten wel opmerken dat het door een toevallige tijdrekening was dat de publicatie van de 'Fama Fraternitatis' samenviel met het ogenblik dat hij er uiteindelijk na veel moeilijkheden in was geslaagd een post als diaken te Vaihingen-sur-Enz te bemachtigen. Hij huwde daar Elisabeth Grüniger die de dochter van een dominee en de nicht van een Luthers kerkvoogd was.

Er bestaan zeer veel speculaties over de mogelijke schrijvers van de Manifesten; geen ervan is evenwel bevredigend. Zelfs al bewaart de 'schrijver' van de eerste Manifesten zijn geheim, Tobias Hess en Johann Valentin Andreæ hebben vermoedelijk een fundamentele rol gespeeld bij het opstellen van deze teksten.


Inwijdingsverhaal


Laten wij naar Christian Rosenkreutz terugkeren, de persoon die door de Manifesten als stichter van de Rozekruisersfilosofie wordt gepresenteerd. Betreft het een werkelijke of een mythische persoon? Zoveel is duidelijk, deze teksten vertellen niet de biografie van een mens, want het gaat om een serie inwijdingsverhalen met allerlei aspecten. In het algemeen kan gezegd worden dat in de reis van Christian Rosenkreutz - de etappes in de Arabische landen en daarna in Spanje - de weg kan worden teruggevonden die de verschillende esoterische wetenschappen hebben gevolgd om van het oosten naar het westen gaande. Na allerlei ontwikkelingen in Europa te hebben gekend, bereikten deze wetenschappen met Paracelsus een bijzondere bloei. Na diens dood slaagden personen als Valentin Weigel en anderen erin de zwakke punten ervan te corrigeren en ze met de Vlaams-Rijnlandse mystiek te bevruchten. De Rozekruisersfilosofie stelt voor deze erfenis op te nemen en te voegen bij het corpus van de kennis van een periode die zij als grenzend aan een nieuw tijdperk beschouwen.

Veel elementen dragen ertoe bij, te laten zien dat de Manifesten symbolische verhalen zijn. De belangrijke data bijvoorbeeld in het leven van Christian Rosenkreutz komen allemaal overeen met opmerkelijke gebeurtenissen in de geschiedenis. Het jaar van zijn geboorte, 1378, komt overeen met het jaar van het grote schisma in het Westen dat Avignon en Rome tegenover elkaar stelt. Dat van zijn dood, 1484, komt overeen met het jaar van de geboorte van degene die zal proberen het christendom te hervormen, Maarten Luther. Want zelfs al meent men tegenwoordig dat hij in 1483 is geboren, de moeder van Luther aarzelde tussen 1483 en 1484 en Luther zelf gaf de voorkeur aan 1484. Er bestaat een astrologische traditie die is gebaseerd op onderzoek van Paulus von Middleburg en Johannes Lichtenberger, die in de conjunctie van Jupiter met Saturnus - welke zich in 1484 in Scorpio voordeed - het teken van deze geboorte zagen. Het is ook veelbetekenend te constateren dat in 1484 in de graftombe van Christian Rosenkreutz geschriften zijn gelegd die verband houden met teksten van Paracelsus. Deze laatste had echter nog niets geschreven, gezien het feit dat hij pas in 1493 zal worden geboren. Hier kunnen wij nog aan toevoegen dat het thema van de ontdekking van de graftombe een terugkerend symbool is in de Traditie. Wij zullen wat later op dit punt terugkomen.

Van symbool naar verzinsel is maar één stap, en sommige schrijvers aarzelden niet om die te zetten. Verschillende geschiedkundigen hebben benadrukt dat de schrijvers van de Manifesten alleen maar de biografieën van bestaande personen aanpasten om Christian Rosenkreutz te bedenken. Paul Arnold heeft laten zien dat allerlei mystici een merkwaardige gelijkenis met Christian Rosenkreutz vertonen.(15) Eerst Joachim da Fiore, die na zijn reizen in het Oosten een Broederschap stichtte; vervolgens Rulman Merswin (1307 - 1382), de stichter van de 'Gottesfreunde' (vrienden van God);(16) en zelfs Geert Groote (1340 - 1384), de stichter van de 'Broeders des Gemenen Levens'. Deze laatste groep nam het initiatief voor de 'Moderne Devotie', een spirituele beweging die het accent legde op innerlijke ervaring. Het juweel van deze beweging is het boek 'De Navolging van Christus', een tekst die veel invloed zal hebben op de wereld van de Rozenkruisers.(17) Het onderzoek van Paul Arnold is niet zonder belang, want al bestaan er aanzienlijke verschillen tussen deze personen en Christian Rosenkreutz, de vergelijking is opvallend. Bovendien worden talloze ideeën van deze mystici in de Manifesten teruggevonden.

Het is mogelijk de dingen vanuit een andere hoek te bezien. De Manifesten kunnen immers ook gelezen worden als het verhaal van een spirituele ervaring. Natuurlijk passen ze in een onweerlegbare historische context, maar evenals ieder inwijdingsverhaal houden zij verband met een metageschiedenis die de eenvoudige chronologie te boven gaat. Wij verlaten hier het gebied van de geschiedenis om ons naar een ander niveau te begeven. Dat wordt het onderwerp van ons volgende artikel dat ons zal voeren naar de "Aarde van Smaragd", die Henry Corbin na aan het hart ligt. Deze studie vormt de tussenfase voor we beginnen met het onderzoek van het derde Rozekruisers Manifest: 'De Chymische Bruiloft van Christian Rosenkreutz'. (wordt vervolgd)

Christian Rebisse, F.R.C. (wordt vervolgd)

 

Noten:

(*) Op de middelste steunpilaar die een gewelf met sterren steunt, staat in het Latijn geschreven: "Wie niet begrijpt, moet zwijgen of leren." Beneden op de pilaren: "God verdeelt de dauw van de hemel en het slib van de aarde (Gen. 27)." De Monade is in het midden uitgebeeld, omgeven door wolkjes die zeggen: "Mercurius wordt familie van de koning van alle planeten, als hij door een vast punt volmaakt is geworden."

1. Papus heeft een Franse vertaling van deze tekst gegeven aan het eind van zijn 'Traité élementaire de sciences occultes' (Elementaire verhandeling over occulte wetenschappen), Parijs, 1903.

2. 'Les Langues occultes de la Renaissance' (De occulte talen uit de Renaissance), Dejonquère, hfst. IV, p. 101 - 105, Parijs, 1996.

3. Zie 'Le Mystère des cathédrales' (Het mysterie van de kathedralen), J.J. Pauvert, p. 139, Parijs, 1983.

4. Ibid., p. 138 - 139.

5. De citaten uit deze Manifesten komen uit de vertaling van Bernard Gorceix 'La Bible des Rose-Croix' (De Bijbel van de Rozekruisers), PUF, Parijs, 1970.

6. Henry Corbin 'En Islam iranien' (In de Iranese Islam), Gallimard, deel I, XXIV, Parijs 1972. Wij zullen op dit fundamentele punt in ons volgende artikel terugkomen.

7. Zie 'L'Alchimie au XVIIe siècle' (De Alchemie in de XVIIe eeuw) onder leiding van Franck Greiner, Chrysopeia, deel 6 p.7, Parijs 1999.

8. Hij was de uitgever van talloze alchemistische teksten. Men heeft aan hem het beroemde 'Theatrum Chemicum' (6 delen) te danken, de verzamelde werken van Paracelsus en 'Die Chymische Hochzeit von Christian Rosenkreutz' (10 delen) (De Chymische Bruiloft van Christian Rosenkreutz) en verschillende andere werken van Johann Valentin Andræ en Christoph Besold .

9. Antoine Favre 'Les Manifestes et la Tradition' (De Manifesten en de Traditie) uit: 'Mystiques Théosophes et Illuminés au siècle des Lumières' (Verlichte en theosofische mystici in de Eeuw van de Verlichting (18e eeuw)), Olms, p. 94, Hildesheim - New York, 1976.

10. Zie C. Rebisse, ('De drievoudigheid van het Vuur'), de 'ROOS' winter 1999, p. 6.

11. R. Edighoffer, 'Les Rose-Croix et la crise de conscience européenne au XVIIe siècle' (De Rozekruisers en het Europese gewetensconflict in de XVIIe eeuw), Dervy, p. 196 - 297, Parijs, 1998.

12. Zie Paul Arnold 'Histoire des Rose-Croix et les origines de la Franc-Maçonnerie' (Geschiedenis van de Rozekruisers en de oorsprong van de Vrijmetselarij), Mercure de France, p. 120 - 122, die ondanks alles beweert dat deze informatie aannemelijk is, Parijs, 1990.

13. Zie 'La Lumière des Rose-Croix' (Het Licht van de Rozekruisers), Retz, p. 70 - 71 en 72, Parijs, 1985 .

14. Roland Edighoffer heeft de werken van deze schrijver uitgebreid bestudeerd in 'Rose-Croix et Société Idéale selon Johann Valentin Andreæ' (De Rozekruisers en de ideale maatschappij volgens J.V.A.), Arma Artis, Neuilly-sur-Seine, 1982.

15. 'Histoire des Rose-Croix' (Geschiedenis van de Rozekruisers), hfst. V, p. 136 - 156.

16. Zie over deze groep Bernard Gorceix 'Les Amis de Dieu en Allemagne au siècle de Maître Eckart' (De Vrienden van God in de eeuw van Meester Eckart), Parijs, 1984; en Albin Michel en Henry Corbin 'En Islam iranien' (In de Iranese Islam), boek VII.

17. De 'Imitatio Christi' ('De Navolging van Christus') (1471) van Thomas à Kempis is in het christendom een van de meest gelezen boeken, na de Bijbel. Theophilus Schweighard (Daniël Mögling) zegt in 'Speculum Sophicum Rhodo-Stauricum ...' (1618) dat men bij het lezen van Thomas à Kempis "reeds voor de helft Rozekruiser is."

 

Illustraties: [niet opgenomen op deze site]

John Dee, 'Monas hieroglyphica', 1564(*)

John Dee

De Monade in de 'Chymische Bruiloft'

'Confessio Fraternitatis', Kassel 1615

'De Burcht van de waarheid'

Vignet van Lazare Zetzner

Christoph Besold

Johann Valentin Andreæ

Illustratie p..: Het oogsten van de dauw volgens het 'Mutus Liber'. Deze alchemistische verhandeling openbaart een van de grootste geheimen van het Grote Werk en illustreert overvloedig de manier waarop de alchemisten de 'bloem van de hemel' oogsten. Zie 'L'Alchimie et son Livre Muet' (De Alchemie en haar zwijgende boek), inleiding en commentaar van Eugène Canseliet, J.J. Pauvert, Parijs, 1967.

Niet alle velden zijn (juist) ingevuld