Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg

Klik hier om naar de webshop te gaan.

0
Registreren

INLOGGEN

Heeft u nog geen account?
Maak er hier één aan.


Bent u uw wachtwoord vergeten?
Slide01

Eeuwigdurende filosofie

De Geschiedenis van de Rozekruisers-filosofie
Vanaf haar oorsprong tot in onze tijd

In het eerste deel van dit onderzoek hebben wij gezien, dat Thot door Egypte trok in de Hellenistische wereld. De wetenschappen van Hermes: magie, alchimie en astrologie, bloeien dan in de tuinen van Alexandrië. In de 6e eeuw hebben de Arabieren deze erfenis met hun eigen gedachten verrijkt en nu reist Hermes Trismegistos naar het christelijke westen. Spanje, daarna Italië, zal deze wetenschappen op zijn beurt opnemen en ontwikkelen. Deze nieuwe etappe in de geschiedenis van de esoterie brengt ons de juiste elementen om de tocht van Christian Rosenkreuz en de inhoud van de Rozekruisers-manifesten te interpreteren.


De islam in Spanje


In 711 vallen de Arabieren Spanje binnen. Cordoba wordt al gauw het middelpunt van het Islamitische Spanje onder het gezag van prins Abd al-Rahmân van de omajjaden-dynastie. Evenals de joden die in Spanje zeer talrijk zijn, behouden de christenen de vrijheid hun godsdienst uit te oefenen. Deze situatie heeft positieve gevolgen, want zij maakt culturele uitwisseling mogelijk. Spanje zal er op die manier aan bijdragen dat er in het westen een culturele erfenis wordt verbreid die van de Arabische beschaving komt, welke in dit tijdperk op talrijke gebieden verder gevorderd is dan Europa. De Latijnse vertalingen van de Spanjaarden maken ook een grote hoeveelheid Griekse teksten toegankelijk die door de Arabieren zijn bewaard en nog niet bekend zijn in Europa.

De esoterische wetenschappen dringen via Spanje in het westen door. In Toledo worden talrijke alchemistische, magische en astrologische teksten vertaald, en deze stad verwerft al snel de reputatie van 'zetel van de occulte wetenschappen'1. De ontdekking van het lichaam van Johannes van Compostella, aan het begin van de IXe eeuw, draagt bij aan de heropleving van de 'Reconquista', de herovering van Spanje op de moren door de christenen. Deze heeft echter pas succes in de XIIIe eeuw. Daarvóór, in de XIe en XIIe eeuw, neemt de bedevaart naar Compostella een hoge vlucht en brengt Spanje in contact met de rest van de Europese christenen, hetgeen ertoe bijdraagt het esoterische corpus te verbreiden.


De alchimie in Spanje


Zoals Robert Halleux benadrukt in 'La réception de l'alchimie arabe en Occident' (de ontvangst van de Arabische alchimie in het westen), is het de vertaling van de Arabische alchemistische teksten die de weg voor de ontwikkeling van de alchimie in het westen geopend heeft2. Spanje is de weg waarlangs de alchimie in Europa binnendringt. Over het algemeen beschouwt men het jaar 1144 als het jaar dat het begin ervan in het westen markeert. Het is de datum van de vertaling van 'Morienus', - een tekst waarvan het voorwoord de legende vermeldt van de drievoudige Hermes - door Robert of Chester, de aartsdiaken van Pamplona. Eveneens in Spanje, en wel in de jaren 1140-1150, vertaalt Hugo de Santalla het 'Boek van het geheim der schepping' uit het Arabisch. In dit werk vertelt Balînûs, dat wil zeggen, Apollonius van Tyana, over zijn ontdekking van het graf van Hermes Trismegistos, waarin hij de 'Tafel van Smaragd' gevonden heeft. In Toledo leert Gerardus Cremonensis Arabisch en vertaalt de teksten van het gigantische werk van Geber en Rhasès, terwijl Juan de Toledo, een bekeerde jood, de 'Sifr-al-asrâr', (Het geheim der geheimen) van de Pseudo-Aristoteles vertaalt; een grondtekst van de alchimie.


De Picatrix


Gelijktijdig met de ontwikkeling van de alchimie beleefde de magie in de XIIe eeuw een nieuwe bloeitijd. In de Middeleeuwen was ze voornamelijk verbonden met een restant van het heidendom en maakte niet rechtstreeks gebruik van een directe bron. Haar 'vulgata' (standaardtekst) was in wezen de tekst die Isidore de Sevilla, die van omstreeks 560-636 leefde, in zijn 'Etymologieën' aan het onderwerp wijdde. Vanaf de XIIe eeuw en nog meer in de XIIIe eeuw verschenen de fundamentele teksten in het westen door de introductie van Arabische en joodse verhandelingen. Vanaf die tijd ontstaat er een wetenschappelijke magie die spoedig de hoven van prinsen en koningen bereikt, waardoor ze aan de veroordeling van de Kerk kon ontsnappen. Alphons de Wijze laat de 'Sefer Raziel' vertalen, een joodse verhandeling over magie, en in 1256 laat hij ook de beroemde 'Picatrix' vertalen. Deze aan Maslama al-Magrîti toegeschreven verhandeling, moet tussen 1047 en 1051 in Egypte zijn geschreven. Door deze tekst zullen Petrus de Abanus, Marsilio Ficino en Henricus Cornelius Agrippa in zeer belangrijke mate worden beïnvloed. Hij behandelt de verwantschap tussen de planten, stenen, dieren en planeten, en de manier waarop ze voor magische doeleinden kunnen worden gebruikt. Hij haalt ook de kracht van magische beelden aan en stelt Hermes Trismegistos als de ontdekker daarvan voor. Hij maakt van hem de grondlegger van een ideale stad die vóór de zondvloed in Egypte zou hebben bestaan: Adocentyn. In deze stad, die rondom een zonaanbidding was opgezet, was Hermes zelf priester. Uit deze tekst put Thomaso Campanella al spoedig de essentie voor de ideeën die uiteengezet worden in zijn werk 'Stad van de Zon' 3.


De kabbala


De aanwezigheid van de joden in Spanje heeft een belangrijke rol gespeeld in de verbreiding van de kabbala. Toch ontwikkelt deze zich in de eerste plaats in de XIIe eeuw rond de 'Sepher ha-Bahir' (het Boek van het Licht), in het Zuiden van Frankrijk, in de Languedoc. In deze streek vindt men verscheidene kabbalisten zoals R. Abraham ben Isaac (gestorven in 1180), president van het gerecht in Narbonne, of Isaac l'Aveugle (de Blinde) (1165-1235). Enige tijd later ontwikkelt de kabbala zich in Spanje, voornamelijk in Gerona, in Castilië en in Toledo. Daar wordt het beschouwende aspect van de kabbala van de Languedoc zowel bevrucht door de joodse denkwereld, die uit de Grieks-Arabische traditie voortkwam, als door de leerstellingen van Plotinus. In Saragossa begint Abraham Abulafia, een belangrijk figuur uit de extatische kabbala, met een meditatietechniek op de hebreeuwse letters, waarbij de ademhaling betrokken wordt. Weldra verschijnt in de XIIIe eeuw de 'Zohar', een omvangrijke tekst die een enorm succes in de wereld van de esoterie zal hebben. Naar men zegt had Moses de Leon in 1305 het origineel van deze verhandeling in Valladolid, in Spanje, in bewaring.


Astrologie


Als gevolg van de Latijnse vertalingen van Arabische teksten is men vanaf de XIIe eeuw getuige van het ontluiken van de astrologie in Europa. Hoewel ze sinds de VIe eeuw in het westen bestaat, was de astrologie tot dan toe een betrekkelijk weinig ontwikkelde wetenschap. De vertaling van teksten als de 'Kitabal-Uluf' van Albumasar, dat wil zeggen Ja'far ibn Mohammad, zal tot ontwikkeling leiden. Dit boek, dat de legende van de drievoudige Hermes ter sprake brengt, is een samenvatting van Perzische, Indiase en Griekse astrologie. De toegang tot de grondteksten van de klassieke astrologie heeft een enorme ontwikkeling van deze wetenschap tot gevolg. We kunnen vaststellen dat er vanaf dit tijdperk steeds meer kalenders, almanakken en voorspellingen verschijnen, evenals prenten waarop de symboliek gebruikt wordt die met de planeten verbonden is. Ondanks dit alles moet er toch tot de XIVe eeuw gewacht worden voordat een Latijnse vertaling van een van de belangrijkste astrologische teksten, de 'Tetrabiblios' van Ptolemaeus, het licht ziet.


De verdrijving van de joden


Na de herovering door de christenen in de XIIIe eeuw raakt Spanje de religieuze tolerantie, die door de Moslims was ingevoerd, kwijt. De joden zullen dan moeilijke tijden kennen. Men laat hun de keus tussen verbanning, de dood of bekering. In 1391 vraagt een aantal van hen gedoopt te worden om aan de slachting te ontkomen. Sommigen van hen, de 'Maranen', laten zich slechts voor de schijn dopen en oefenen hun geloof verder in het geheim uit. Al spoedig vinden er verbanningen plaats; eerst in 1483 in Andalusië, vervolgens zien we in 1492 een totale uittocht van joden. Sommigen gaan naar Italië. Zij brengen geheime kennis met zich mee die daar een nieuwe invloed zal krijgen. Deze erfenis wordt toegevoegd aan hetgeen Italië zojuist heeft bijeengebracht. In 1439 proberen de christenen in het oosten, die door de uitbreiding van de islam bedreigd worden, zich namelijk met hun broeders in het westen te verzoenen. Talrijke geleerden uit het oosten, zoals de neoplatonist Georgius Gemistus Pléthon, komen naar Florence om deel te nemen aan een concilie van verzoening. Zij brengen dan de teksten van Griekse filosofen mee naar Italië. De te laat ondernomen pogingen tot verzoening kunnen niet voorkomen hetgeen een catastrofe voor de Byzantijnse Kerk zal worden, want in 1453 bezetten de Turken Constantinopel. Zoals wij vervolgens zullen zien, is het geen toeval dat de auteur van 'Die Chymische Hochzeit' (De Chymische Bruiloft) van het jaar 1453 het jaar maakt waarin Christian Rosenkreuz door een verschijning de mededeling van de beloofde bruiloft ontvangt.


De Academie van Florence


Door de inname van Constantinopel in 1453 kunnen de Griekse cultuur en vooral de werken van Plato, waarvan men niet meer dan enkele uittreksels kent, in Italië doordringen.

Cosimo de Medici, die zich het belang hiervan bewust is, sticht de Platoonse Academie van Florence en vraagt aan Marsilio Ficino (1433-1499) Plato te vertalen. Onvermoeibaar werker als hij is, geeft Marsilio Ficino het westen zijn eerste vertaling van Plato, en ook die van Plotinus, Proclus, Jamblichus, Dionysius Areopagita en vele anderen. Al spoedig doet zich een uitermate belangrijk feit voor. Het 'Corpus Hermeticum', dat vaak geciteerd werd in de Middeleeuwen, was verdwenen en men kende er slechts de 'Asclepius' van. Maar in 1460 maakt een monnik in dienst van de Medici, melding van een manuscript van het 'Corpus Hermeticum'. Cosimo I vindt de kwestie zo belangrijk dat hij Marsilio Ficino vraagt zijn vertalingen van Plato te onderbreken om aan die van Hermes Trismegistos te gaan werken. Al gauw, in 1471, publiceert Marsilio Ficino de eerste vertaling van het 'Corpus Hermeticum'. Deze uitgave kent een dermate grote invloed dat ze tot aan de XVIe eeuw zestien maal opnieuw wordt uitgegeven.


Philosophia Perennis


Marsilio Ficino was ervan overtuigd dat de oorspronkelijke tekst van het 'Corpus Hermeticum' in Egypte geschreven was. Hermes Trismegistos wordt dan ook gezien als een Egyptische priester, die aan de oorsprong van alle geheime wetenschappen staat, degene door wie die wetenschappen zijn overgedragen. Marsilio Ficino stelt overigens in zijn 'Theologie van Plato' dat in 1474 werd gepubliceerd, een opeenvolging van filosofen op aan wie, na Hermes, deze wetenschappen zouden zijn overgeleverd: Zoroaster, Orpheus, Aglaophemus, Pythagoras, Plato4 Deze zienswijze op de dingen doet een nieuw idee ontstaan, dat van de oertraditie, een eerste openbaring die van de ene op de andere eeuw, van ingewijde op ingewijde, in stand zou zijn gehouden en doorgegeven. Dit idee, dat vroeger door de heilige Augustinus werd ondersteund, beleefde dank zij Marsilio Ficino een heropleving. Later in 1540 zal het door Agostino Steuco worden geformaliseerd door het begrip Philosophia Perennis, eeuwigdurende filosofie.


De Aramezen


We kunnen begrijpen dat dit idee in Florence, dat wil zeggen in Toscane, een gunstige weerklank heeft gevonden. Het is verrassend te constateren dat de uitgave van 1548 van het 'Corpus Hermeticum' een opdracht bevat aan Côme I, geschreven door de 'Aramees' Carlos Lenzoni. Om dit te begrijpen moeten we bedenken, dat Hermes Trismegistos als een tijdgenoot van Noach werd beschouwd. Men beweerde toen, dat Noach na de zondvloed twaalf steden in Etrurië had gesticht en dat zijn lichaam vlakbij Rome rustte, en voegde eraan toe dat Hercules van Lybië de stichter van Florence was. Van daaruit ontstond de gedachte dat de Toscaanse taal, die via het Etruskisch van het Aramees afkomstig was, superieur was. Zoals men in de Egyptenaren de afstammelingen van Noach zag, zo ontbrak het er maar aan dat men Florence met de oorsprong van de beschaving in verband bracht 5. Deze ideeën, die Côme de Medicis dierbaar waren, waren zeer in trek in de Academie van Florence.


De natuurlijke magie


Hoewel het 'Corpus Hermeticum' de geheime kennis van de Egyptenaren ter sprake brengt, is dit werk niet erg nauwkeurig over de toepassing van die kennis. In verhandeling XIII van het corpus onderwijst Hermes Trismegistos zijn zoon Tat de beginselen van mystieke regeneratie. Deze verkrijgt men door zijn zintuigen tot zwijgen te brengen, de fatale invloed van de sterren te vernietigen, en de goddelijkheid in de mens geboren te laten worden 6. Marsilio Ficino is priester maar ook arts; hij heeft gevoel voor het concrete. Hij gaat daarom op zoek naar de toepassing van deze theorieën bij de neoplatonici, maar vooral in de 'Picatrix', bij Albumasar en in de geschriften van zijn landgenoot Pierre d'Abano, die zich vóór hem over de Arabische magie heeft gebogen. Hij stelt een 'natuurlijke magie' in die de verbinding legt tussen deze theorieën en het begrip 'het scheppende woord' in het christendom. Zijn natuurlijke magie bereikt een grote verfijning. Deze magie maakt gebruik van verwantschappen, zoals de planetaire kenmerken die in alle elementen, mineralen en gewassen, evenals in parfums, wijn, poëzie en muziek (orfische hymnen) gegrift zijn om de subtiele energieën van de schepping, de 'spiritus mundi' 7, op te vangen. Marsilio Ficino is een zeer belangrijke figuur in de geschiedenis van de westerse esoterie, niet alleen door zijn rol als vertaler en commentator van oude teksten, maar ook vanwege zijn geschriften die een grote invloed zullen krijgen, zoals zijn 'De Triplici Vita'. Zoals Antoine Faivre benadrukt: "Dankzij hem wordt de esoterie tot filosofie omgevormd en gaat dan een wezenlijk deel van de denkwijze van de Renaissance 8 uitmaken."


De magie der engelen


De bekendste leerling van M. Ficino is Pico della Mirandola (1463-1494), een buitengewoon begaafde jongen, die op 23-jarige leeftijd alles al bestudeerd heeft wat er in zijn tijd over de diverse religies, filosofieën en esoterische wetenschappen bekend is. Terwijl Ficino geen waarde hecht aan de kabbala, vindt Pico della Mirandola in deze traditie een aanvulling op de magie van zijn meester. Hij acht het nuttig de natuurlijke magie te versterken door middel van de kabbalistische magie die zich baseert op de energieën van het buitenaardse. Deze wetenschap, die de engelen en aartsengelen met hun namen in het Hebreeuws (aangeduid als de taal van God) aanroept, bezit voor hem een aanzienlijke werking. Door de theorieën van de heilige Hieronymus en van Nicolaus de Cusa over de naam van Jezus over te nemen, laat hij zien dat door de kabbala de goddelijkheid van Christus kan worden bewezen. Hij stelt ook de grondslagen van de 'christelijke kabbala' vast 9. Als universele geest wilde hij ook de gelijkgerichtheid van alle filosofische stelsels aantonen. Daarom schreef hij in 1486 zijn 'Negenhonderd thesen'. Wij stellen ons ermee tevreden bij de argumenten die hij ontvouwt, te zeggen dat hij de magie en de kabbala aanduidt als aanvullingen op het christendom (7e these) en dat hij ervoor pleit de kabbalistische magie te gebruiken (11e these). Deze thesen moesten het onderwerp uitmaken van een debat dat Pico della Mirandola zich voorstelde op gang te brengen. Men kan zich de reacties indenken... Hij moest uit Italië vluchten om zich te beschermen. In juni 1493 zal hij echter worden gerehabiliteerd door Alexander VI, een paus die de magie en astrologie gunstig gezind is.


De Voarchadumia


In deze periode wordt Italië een zeer actief esoterisch centrum. Venetië speelt een belangrijke rol in de verspreiding van de kabbala, de astrologie, de wetenschap der getallen en de alchimie10. Na de XIIIe eeuw was het alchemistische corpus, dat door de Arabieren was overgebracht, geheel vertaald en gaf aanleiding tot een nieuwe bloei van geschriften (Albertus de Grote, Thomas van Aquino, Roger Bacon, A.de Villenova, Raimundus Lullus, Nicolas Flamel et cetera). In de XIVe en XVe eeuw zien we een heropleving van de alchimie, die de christelijke allegorie overneemt en een mystieke gevoelswaarde aan het onderwerp toevoegt waarover sommigen zich vragen stellen. Gaat het om een "praktijk, uitgedrukt in religieuze termen of om een mystieke ervaring uitgedrukt in alchemistische termen"(11)? Deze tendens is de bevestiging van een stroming, die in de tweede helft van de XIIIe eeuw begon met 'Aurora consurgens' (De rijzende dageraad), een verhandeling die toegeschreven wordt aan Thomas van Aquino, die het alchemistische proces voorstelt als een innerlijke ervaring van regeneratie. In 1478 publiceert Michel Pantheus in Venetië de 'Voarchadumia', een omvangrijke verhandeling, waarin de aandacht op dit verheven aspect van de alchimie wordt gevestigd. De legende wil, dat de 'Voarchadumia' een geheim Venetiaans genootschap is. Hoe het ook zij, talrijke onderzoekers komen in Italië de occulte wetenschappen bestuderen, zoals Johannes Reuchlin en Henricus Cornelius Agrippa, die hun bijdrage zullen leveren aan de verspreiding van de esoterie in Europa.


De verbo mirifico (over het bewonderenswaardige woord)


Onder de joden die in 1492 Spanje verlieten om zich in Italië te vestigen, bevond zich Judas Leon Abarbanel, dat wil zeggen, Leon de Hebreeuw (1437-1508), arts en kabbalist. Na tot het katholicisme bekeerd te zijn, zet hij zich in voor het neoplatonisme. Al gauw publiceert hij zijn 'Dialogen over de Liefde', een werk waarin hij het neoplatonisme en de kabbala tot een geheel verbindt. Deze synthese vergroot het gebied dat voor Pico della Mirandola en Marsilio Ficino open staat. Aan een vierde persoon komt de verdienste toe een synthese van zijn drie voorgangers tot stand te brengen: de uit Baden afkomstige Johannes Reuchlin (1455-1522). Hij gaat in 1482 naar Rome om daar Hebreeuws te leren en vervolgens naar Florence om Pico della Mirandola te ontmoeten. Terug in Duitsland wordt hij degene die de christelijke kabbala ontwikkelt. In 1494 publiceert hij zijn 'De Verbo mirifico', waarin hij de theoretische beschouwingen van Pico della Mirandola over het 'Woord' uitdiept (Ieschouah). Dit boek zal een zeer heel belangrijke invloed hebben, want het is het eerste Europese werk dat geheel aan de kabbala is gewijd. Het zal weldra, in 1517, worden aangevuld met 'De Arte cabalistica', een van de fundamentele teksten van de christelijke kabbala. De belangrijke ontwikkelingen die hij in de engelenleer veroorzaakt, zuiveren de magie van demonologische verdenkingen, die een smet wierpen op de natuurlijke magie van M. Ficino.


De harmonie van de wereld


De natuurlijke magie benadrukte de occulte verwantschappen die tussen alle delen van de schepping bestaan. Deze gedachte zal met de franciscaan Francesco Zorzi uit Venetië (1450-1540) een nieuwe dimensie aannemen. In 1552 publiceert hij zijn 'De Harmonia Mundis', een fundamentele tekst van de christelijke kabbala. Zijn originaliteit dankt hij aan het feit, dat hij aan de kabbala van Pico della Mirandola en aan het neoplatonisme van M. Ficino de pythagorische numerologische traditie, alchimie en de architectuur van Vitruvius (1e eeuw na Chr.) weet toe te voegen. Het geschrift zal grote invloed hebben op de Engelse Rozekruisers, met name op Robert Fludd, en in Frankrijk op de Pléiade, dankzij de vertaling van Le Fèvre de la Boderie.


De occulte filosofie


Met Reuchlin kreeg de magie die met de engelen te maken heeft een duidelijker betekenis, maar ze blijft nog tamelijk theoretisch. Het is Henricus Cornelius Agrippa (1486-1534), door zijn artsenopleiding veel praktischer denkend, die de magie op een veel concreter vlak zal brengen door een echt handboek over praktische magie te publiceren: 'De Occulta Philosophia'. In de eerste versie uit 1510 wordt dit boek vooral gekenmerkt door de invloed van de 'Picatrix', van het 'Corpus Hermeticum' en van de geschriften van Ficino. In de volgende editie uit 1533 neemt de kabbala in dit werk een belangrijke plaats in. Terwijl magie bij Reuchlin een middel is om zich met God te verenigen, bereikt ze bij Agrippa andere gebieden om zich aan de diverse problemen van het menselijke bestaan te wijden. Niettemin verliest zijn magie, of ze nu 'natuurlijk', 'hemels' of 'ceremonieel' is, de verfijning die Marsilio Ficino eraan gegeven had. Agrippa voegt de engelenleer en de wetenschap der getallen van de Arabische magie bij elkaar om magische vierkanten, planetaire zegels en tabellen van overeenkomsten tussen planten, mineralen, getallen en engelen samen te stellen. Ondanks het feit dat Paus Pius VI het boek van Agrippa op de index plaatste, kende het een succes dat tot in onze tijd voortduurt.


Giordano Bruno


De dominicaan Giordano Bruno (1548-1600), een groot reiziger, is een van degenen die het meest aan de verbreiding van de esoterie in Europa hebben bijgedragen. Sterk beïnvloed door de geschriften van zijn Italiaanse landgenoten Ficino en Pico della Mirandola, maar ook door Henricus Cornelius Agrippa is hij een ijverig lezer van het 'Corpus Hermeticum'. In zijn boek 'Verdrijving van het zegevierende beest' (1584) gaat hij zo ver te beweren, dat het Egyptische Hermetisme wel degelijk superieur is aan het christendom. In het begin van zijn boek roept hij een vereniging van goden aan, die verenigd zijn met het oog op een algemene hervorming van de mensheid, wat het teruggaan naar de Egyptische godsdienst inhoudt 12. Dit thema van de noodzaak van een universele hervorming zal grote invloed hebben, met name op 'Het Nieuws van de Parnassus' van Traiano Boccalini. Een van de hoofdstukken uit dit boek zal spoedig gebruikt worden als inleiding van de 'Fama Fraternitatis'. Bruno staat dichter bij Ficino dan bij de christelijke kabbalisten; hij heeft niet veel op met joden en verwerpt derhalve de kabbala. Met hem verdwijnt de figuur van de christelijke magiër helemaal. Hij houdt meer van de Egyptische magie van de 'Asclepius'. Hij wijst erop, dat de christenen het symbool van het kruis uit Egypte hebben gestolen en voorspelt de terugkeer tot de Egyptische religie. Al gauw gaat hij zijn theorieën verkondigen aan het hof van Rudolph II en in Engeland. Hooggeplaatst en kleurrijk figuur als hij is, is hij auteur van talrijke boeken, die vele verschillende onderwerpen aansnijden. Zijn theologische en wetenschappelijke opvattingen (bijvoorbeeld zijn voorstelling van een oneindig universum, een theorie die hij aan Nicolaus de Cusa ontleende) zullen hem moeilijkheden met de Inquisitie bezorgen en hij zal op de brandstapel eindigen.


Alchimie en Natuur


In Duitsland verbreidt het Hermetisme zich nauwelijks. Het dringt echter wel door tot het hof van Rudolf, bijgenaamd 'de Duitse Hermes', in het bijzonder met de alchimist Michael Maier en de astronoom Kepler die ook het 'Corpus Hermeticum' lazen. De Europese alchimie omvat twee grote perioden: eerst de XIIe eeuw die haar ontstaan markeert, daarna de Renaissance waarin zij zich sterk ontwikkelt, vooral in Nederland, dat in de XVIe eeuw een 'spagirische'* stortvloed 13 kent. In dit tijdperk verschijnen de grote bloemlezingen van alchemistische teksten, zoals het beroemde 'Theatrum chemicum' evenals de eerste alchemistische woordenboeken, die kenmerkend zijn voor de behoefte aan diepgaande bestudering en synthese, die toen tot uiting kwam. Het is van belang er op te wijzen dat de alchimie van de XVIe eeuw zich met nieuwe kenmerken verrijkt. Ook al interesseert ze zich nauwelijks voor het fabriceren van goud, ze ontwikkelt dan een sterke spirituele dimensie - wat medische toepassingen tot gevolg heeft - en wil graag een eenheid scheppende wetenschap zijn. Ook probeert ze aan te sluiten bij een bespiegeling over de geschiedenis van de schepping, van de tragische kosmogonie die niet alleen de val van de mens met zich meebracht, maar ook die van de Natuur. Zo is de alchimist de geneesheer van de mens en helpt hem te herstellen teneinde zijn spirituele staat te hervinden; maar hij is ook arts van de Natuur en zijn opdracht bestaat erin haar te verzorgen om haar te vervolmaken. Medegeboorte, wedergeboorte en Natuur zijn in deze alchimie nauw verbonden (de term 'natuur' is ontleend aan het Latijnse 'natura', toekomend deelwoord van 'nascor' wat 'geboren worden' betekent).


Paracelsus


Paracelsus (1493-1541) is de meest karakteristieke figuur van deze ontwikkeling. Zijn oeuvre laat een reusachtige inspanning zien om alle kennis van zijn tijdperk te benutten. Aan de astrologie, de alchimie, de magie en aan de volksoverleveringen heeft hij een diepgaander interpretatie gegeven 14. Als arts verzet hij zich tegen de ideeën van Galenus, die onmiskenbaar heersen in een van doeltreffendheid ontblote geneeskunde. In zijn 'Volumen medicinae paramirum' en zijn 'Opus paramirum' zet hij de grondslagen van een nieuwe geneeskunst uiteen. De theorie van de mens als microkosmos, reeds door Erigena verspreid, krijgt bij hem een duidelijke betekenis. Voor Paracelsus is filosofie de ontdekking van de 'onzichtbare Natuur'. De Natuur heeft voor hem een hoofdfunctie, want al heeft God door middel van de Schrift gesproken, Hij spreekt nog steeds tot ons door de Natuur. Het is dus gepast te luisteren terwijl men over het Boek van de Natuur contempleert. Volgens Paracelsus is het de taak van de mens de 'Natuur in haar licht' te onthullen. De Natuur blijft immers onafgemaakt in de onbekendheid, terwijl zij zich in de mens kan openbaren, de mens die geboren is om haar naar haar volmaaktheid te leiden. De alchimist, die probeert haar wetten te begrijpen, gaat een dialoog aan met de schepping. Door deze uitwisseling openbaart het verborgen licht van de Natuur zich en verlicht de mens. Maar de mens bereikt dat resultaat niet zonder voorbereiding, zonder regeneratie. Zoals Roland Edighoffer opmerkt, roept Paracelsus deze transformatie op een buitengewone manier op in zijn 'Liber de resurrectione et corporum glorificatione' (1533). Hij combineert uitdrukkelijk (zeventien maal op zes bladzijden) de symbolen van het kruis en de roos door deze in verband te brengen met de alchemistische transmutatie en de wederopstanding. Hij schrijft: "Het ware goud is degene die gezuiverd uit het vuur komt. Zo zal, tijdens de wederopstanding het onzuivere van het zuivere gescheiden worden, er zal een nieuw lichaam geboren worden dat, daar het lichtender is dan de zon, het verheerlijkte lichaam genoemd zal worden." De wederopstanding van Christus "is een aspect van onszelf (...): door hem, in hem, zullen wij weer tot leven gewekt worden, zoals de roos weer tot bloei komt (15)." Paracelsus is een belangrijke en heel bijzondere figuur, en als wij hier enkele aspecten van zijn gedachten benadrukken dan is dat, omdat zij een bijzonder belangrijke weerklank zullen vinden in de 'Fama Fraternitatis' en de 'Confessio Fraternitatis'.

De dood van Hermes

De inbreng van talrijke tradities in het geheel van het humanisme van de Renaissance heeft de gedachte van tolerantie tussen alle religies, filosofieën en tradities doen kiemen. Nicolaus de Cusa formuleerde dergelijke gedachten op het concilie van Florence in 1439. Als gevolg daarvan onderzocht Pico della Mirandola de overeenkomsten tussen deze verschillende tradities. Anderen zullen nog verder gaan, zoals Francesco Patrici, die zal spreken over een universele filosofie, een 'Pansophia' en in zijn boek 'Nova de Universis Philosophia' (1591) zover gaat, dat hij aan paus Gregorius XIV vraagt het Hermetisme in de christelijke scholen te laten onderwijzen om te werken aan het leggen van de grondslag voor een ware religie. Helaas waren deze ideeën van de voorhoede van weinig betekenis voor de politiek-religieuze belangen die onmiskenbaar overheersten, en men was reeds getuige van een periode van religieuze intolerantie. De godsdienstoorlogen, die in de XVIe eeuw begonnen, zouden de bloei van het Hermetisme spoedig afremmen.

Een ander element, dat echter onopgemerkt voorbijgaat, zal 'de Egyptische erfenis' weldra weer volledig aan de orde stellen. In 1614 publiceert Isaac Casaubon 'De rebus sacris et ecclesiasticis exercitationes XVI', een tekst, waarin hij aantoont, dat het 'Corpus Hermeticum' niet Egyptisch van oorsprong is en dat de auteur ervan niet Hermes Trismegistos is, maar dat het het werk is van christenen van omstreeks de IIe eeuw. Deze ontdekking beteugelt het Hermetisme van de Renaissance. Ook al tast ze de in de Renaissance uitgewerkte esoterische traditie ernstig aan, toch maakt ze niet het feit ongedaan dat er werkelijk een overdracht naar het westen is geweest van kennis die uit een ver verleden gekomen is, uit een 'verlicht oosten' waarvan men Egypte als het centrum kan beschouwen. In elk geval kan men zeggen, dat met de Renaissance de grondslagen gelegd zijn van wat de structuur van de westerse esoterie zal gaan vormen (alchimie, astrologie, magie, kabbala, wetenschap der getallen, waarzeggerij et cetera). Het is echter verwonderlijk te constateren, dat de ontdekking van Causabon samenvalt met een reorganisatie, een grondige herziening van de westerse esoterie, gemarkeerd door de publicatie van 'De Rozekruisers Manifesten' in 1614. Christian Rosenkreuz gaat Hermes Trismegistos vervangen, en Egypte verdwijnt van de voorgrond (maar zal spoedig terugkeren, zoals wij later zullen zien).

Deze vernieuwing van de traditie, deze hergeboorte, vindt plaats in een klimaat van verval waarvan men de aankondiging kan lezen in 'het drievoudige vuur' dat in de hemelen geschreven staat. Wat is er met dit mysterieuze astrologische aspect? Daarmee zullen wij ons in het vervolg van deze studie bezighouden.

Christian Rebisse, F.R.C.


noten:

1. Zie 'Histoire de l'alchimie en Espagne (de Geschiedenis van de alchimie in Spanje), J. Garcia Font, Dervy, 1976.

2. 'Histoire des sciences arabes' (Geschiedenis van de Arabische wetenschappen), 3e deel, Seuil, 1998. Hierin wordt de stelling van J. Ruska weer opgenomen.

3. Zie 'Giordano Bruno and the Hermetic Tradition, F. Yates, Dervy, 1996, pp. 70-79 en 435, waarin wordt aangetoond, dat Thomas More niet de werkelijke bron van Campanella is.

4. Er wordt een andere hiërarchie gegeven waarin Mozes aan Hermes voorafgaat of na hem komt.

5. Zie 'Alchimie à la Cour de Côme Ier de Médicis, savoirs, culture et politique' (Alchimie aan het hof van Côme 1e de Medicis (...)). A. Perifano, Honoré Champion, 1997, pp. 144-150.

6. Zie 'Hermes Trismegistos', teksten en vertaling van A.-J. Festugière, deel II, Belles Lettres, 1983, pp. 200-207.

7. Zie 'Giordano Bruno (...)' van F. Yates, op.cit., hk IV en 'Spiritual and demonic magic' van D.P. Walker, London, 1958.

8. 'Accès de l'ésotérisme occidental' (toegang tot de westerse esoterie), Gallimard, 1986, p. 128.

9. Zie 'Les Kabbalistes chrétiens de la Renaissance' (de christelijke kabbalisten van de Renaissance), F. Secret, Arché, 1985.

10. Zie 'L'Alchimie à la Cour de Côme Ier de Médicis (...)', op. cit., en F. Yates, die door zijn 'Giordano Bruno' op. cit. heeft aangetoond, dat men de Renaissance niet kan begrijpen zonder de bijdrage van het Hermetisme te kennen.

11. R. Halleux, 'Les textes alchimiques', 1979, België, p. 85.

12. Zie 'Giordano Bruno (...)', F. Yates, op. cit., pp. 257-260.

13. Zie 'Alchimie', B. Gorceix, Fayard, 1980.

14. Zie 'Paracelsus', L. Braun, Slatkine, 1995.

15. Zie 'La Rose-Croix au XVIIe siècle', R. Edighoffer, Cahiers du G.E.S.C., Arché, 1993, p.108.

* Een methode van de alchimie; spao = uit elkaar halen, giros = bij elkaar voegen.

 

Niet alle velden zijn (juist) ingevuld