Uw winkelwagen

Uw winkelwagen is leeg

Klik hier om naar de webshop te gaan.

0
Registreren

INLOGGEN

Heeft u nog geen account?
Maak er hier één aan.


Bent u uw wachtwoord vergeten?
Slide01

Kabbalah & Symbolisme

De ontwikkeling van mentaliteit en de ontwikkeling van de astrologie

Zo ver als de sporen der mensheid ons toestaan terug te gaan in de tijd, vinden wij eveneens gegevens die met astrologie verbonden zijn. Het lijkt er op dat de mens vanaf het begin van zijn aardse ervaringen zijn blik tot de hemel gericht heeft en geprobeerd heeft te ontdekken wat zijn relatie met de kosmos was, terwijl hij ondertussen probeerde de taal der sterren te ontcijferen. Astrologie en astronomie zijn pas vrij recentelijk (vanaf de zeventiende eeuw) gescheiden en los van elkaar gezien. Voordien waren astronomen eveneens astrologen. De twee woorden komen voort uit een gemeenschappelijke wortel. 'Astro' betekent: 'zaken uitgezaaid in de hemel, die bewegen'. De astronomie (astro-nomos) interesseert zich voor de observatie van de beweging der sterren en de wetmatigheden die daaruit kunnen worden afgeleid. Het doel van de astrologie (astro-logos) daarentegen is, te lezen in de kosmos, te proberen het Woord te ontsluieren dat hierin vervat ligt en zich hierin manifesteert, teneinde toegang te verkrijgen tot de logos. In deze voortgang van het meest zichtbare naar het meest subtiele gaat de astrologie via analogie vooruit, waarbij zij de aloude stelling van Hermes Trismegistos volgt: "Zo boven, zo beneden" (en omgekeerd). Deze stelling integreert zij vervolgens in de mythologie, de symboliek, de numerologie en de alchimie. Tot aan de zeventiende eeuw hield de astrologie/astronomie zich bezig met het ontcijferen van de wetten die de waargenomen objecten in de hemel regeerden en het hierin vinden van een richting voor de op aarde levende mens. Op zeker moment trad er een breuk op tussen deze twee disciplines; een noodzakelijk gevolg, te wijten aan de opbloei van en de waardering voor de wetenschappelijke, rationele, logische werkwijze, kortom voor de astronomie. Maar dit is slechts een momentopname op de lange weg die leidt tot integratie van alle kennis. De ontwikkeling van de astrologie kan misschien in verband gebracht worden met de grote stappen in de ontwikkeling van de geestelijke structuur van de mens en zijn uitdrukking hiervan in de wereld. Telkens als deze groei zijn bewustzijn verruimde, ontwikkelden, verrijkten, verfijnden en zuiverden zijn waarnemingen zich verder. Zijn band met de kosmos veranderde door de uitwerking van de wetmatigheden en het begrip van hun betekenis. Dit artikel beperkt zich tot de studie van de exoterische kennis in de landen van het gematigd noordelijk halfrond en weerspiegelt zo het niveau van het menselijk bewustzijn in deze streken.


De prehistorie


Laten wij proberen ons te verplaatsen naar de tijd toen de mens op de aarde omringd was door een dichte nevel die het hem niet toestond de dingen te zien zoals zij waren. Het is gemakkelijk hier een parallel te trekken met wat men telkens op de weg der evolutie ziet wanneer de sluiers die het bewustzijn verhullen iets verder opgelicht worden. De nevel werd iets minder dicht, de mens begon los te komen uit de onverschilligheid en nam meteen twee tegengestelde verschijnselen waar: licht en duisternis, dag en nacht. Later ging hij deze in verband brengen met het verschijnen en verdwijnen van het eerste herkenningsteken dat zich in de hemel bewoog: de zon. Vervolgens merkte hij een even zichtbaar teken op wanneer de zon er niet was: de maan. Dit was het moment waarop het onderbewuste en de chaos verlaten werden, die samenvielen met de uiterlijke manifestatie van de dualiteit die in de hemel gematerialiseerd wordt door de twee lichtbronnen en de aardse ervaring van dag en nacht. Uit de dualiteit komt eveneens de ontologische band voort die tussen de twee polariteiten bestaat, waarvan de ene niet zonder de andere kan bestaan. Zo is de gehele manifestatie bipolair: hemel - aarde, zon - maan, dag - nacht, et cetera. De zon verscheen en verdween volgens een regelmatig ritme: het waarnemen van deze cyclus kreeg vorm vanuit twee fasen: manifestatie en non-manifestatie. De tijd werd geboren in het bewustzijn van de mens. De dag is de periode die twee zonsopgangen scheidt. De maan verandert in tegenstelling tot de zon op een regelmatige en progressieve manier van vorm. De periode die twee momenten scheidt waarin zij in dezelfde vorm verschijnt is de maan-maand of maancyclus. Deze kent vier fasen samenhangend met de vier karakteristieke vormen die zij weergeeft. Elk van deze fasen komt overeen met een week en elke week bestaat uit zeven dagen. Veel later zou men aan elke dag een naam en overeenkomst met een ster geven; namen die tot in onze tijd overgeleverd zijn. Maar door deze lichtbronnen kon de mens zich eveneens in de ruimte oriënteren: de zon gaat elke dag op en onder op ongeveer dezelfde plaats; het oosten en het westen. Hij bereikt zijn hoogste punt in het zuiden waar het noorden tegenover ligt. Vanaf dat moment beschikte de mens over de vier windrichtingen. Vervolgens constateerde de mens dat de sterren altijd eenzelfde weg volgen (veel later zal hij vijf nieuwe sterren ontdekken: de planeten), een weg bestaande uit lichtende punten die onderling in een vaste verhouding gerangschikt zijn: de dierenriem met de sterrenbeelden. Door het verband tussen de vegetatiecyclus en de stand van de zon ten opzichte van de dierenriem, evenals de cyclische variaties van de punten van haar opkomst en ondergang, werd de cyclus van het jaar ingevoerd. Deze bevatte ongeveer twaalf maancycli, waaruit de onderverdeling voortkwam van het jaar in twaalf maanden en de dierenriem in twaalf sterrenbeelden. Het jaar werd verdeeld in vier fasen: de seizoenen. In een tijd waarin geen enkel meetinstrument (kaart, kompas) bestond, had de mens al snel geleerd te kunnen voorspellen (tijd) en zich te verplaatsen (ruimte). Vanaf het ontwikkelen van de kalender veranderde de mens zijn band met de voedende natuur, want hij ontdekte dat hij het vermogen bezat om de natuur te veranderen. Van passief werd hij actief. Dit was de overgang van het jagen en verzamelen naar de landbouw, van een nomadenbestaan naar het ontstaan van nederzettingen. Het bewustzijn van tijd en ruimte introduceerde respectievelijk het idee van de cirkel en het vierkant met vervolgens het kruis dat beiden samenbrengt. Het waren echter de oude Grieken die dit concept in de wiskunde uitwerkten. Ondertussen was op dat moment de kennis al zeer verfijnd geraakt en vertaalde deze zich enerzijds in het ontwikkelen van een kosmogonie, dat wil zeggen een onderzoek naar de oorsprong van de wereld vanuit scheppingsmythen. Anderzijds kwam een kosmologische wetenschap op, die samenhing met de hemelse mechanismen (maanfasen, bewegingen van de sterren, jaarlijkse verschuiving van de zon, zonsverduisteringen). Deze kennis vormde de basis voor de bouw van piramiden en megalieten. Maar in dit tijdperk zag de mens zich dan ook niet meer gescheiden van wat hij in de hemel waarnam. Hij identificeerde zich er mee.


Observaties en voorspellingen
Mesopotamië en Egypte, 4000-2000 jaar geleden


Men kan de geschiedenis via de uitvinding van het schrift met grote stappen terug volgen. De oudste sporen daarvan voeren bij onze huidige stand van kennis zo'n 4000 jaar terug, naar de Soemerische periode. Men vindt hier al meteen teksten en tekeningen die verband houden met de astrologie. De oude Egyptenaren beoefenden en onderwezen de astrologie als onderdeel van de geheimen van de mysteriescholen, maar al vanaf het begin van het derde millennium werd de astrologische kennis vertaald in een zonne- en maankalender waarin een jaar bestond uit 365 dagen, onderverdeeld in 12 maanden van elk 30 dagen. Aan het einde van het jaar voegde men daar 5 dagen aan toe. Het jaar was verder verdeeld in drie seizoenen van elk vier maanden: overstroming, groei en oogst. De kalender werd zodoende opgedeeld in 36 decaden - drie maal 10 dagen per maand - en in verband gebracht met de 36 sterrenbeelden. Het begin van het jaar kwam overeen met de opkomst van Sothis (Sirius) in de schemering. In het derde millennium kende men in Mesopotamië al de dierenriem, de omwentelingen der planeten, de zonsverduisteringen en de maansverduisteringen. Men nam aan dat er in de wereld geen chaos bestond en dat het universum onderworpen was aan regels, en aan strikte wetten gehoorzaamde. De astrologie werd onderdeel van de onderneming om de wereld te ontcijferen, en men zag haar als een schriftvorm van de Goden (hemels schrift). Zij werd bestudeerd, gecodificeerd en vertaald door priester-astrologen. Gedurende het tweede millennium voor Christus was de astrologie dankzij de uitgebreide verhandelingen van de Babylonische en later Assyrische priesters, in het gehele Nabije Oosten wijd verbreid. Men vindt in deze verhandelingen de eerste nauwkeurige notities omtrent sterren, maansverduisteringen, zonnestanden, maanstanden en de positie van Venus, maar ook de onderlinge verhoudingen van sterren, de verdeling van de tijd en de 360 graden van de dierenriem. Het universum is hier opgebouwd uit 8 in elkaar geschoven hemelen. De hemel met de vaste sterren is verdeeld in 3 gebieden van elk 12 sectoren en het geheel is in verband gebracht met de sterren en sterrenbeelden. De kalender is op de maan gebaseerd en begint te tellen wanneer men het allerkleinste sikkeltje na de nieuwe maan ziet opkomen. Deze gegevens en voorspellingen brachten de samenhang aan het licht tussen de hemelse verschijnselen en de aardse gebeurtenissen op politiek, sociaal, meteorologisch en agrarisch gebied. Het is interessant hier op te merken dat de Chinezen al op de hoogte waren van de bolvorm van de aarde. In Soemerië, Babylon en in het Assyrische Rijk nam men verder aan dat de sterren bewoond werden door de goden. Later zag men ze als instrumenten van hun wil. Er was toen geen sprake van identificatie meer, maar van tekens die te ontcijferen vielen. Vanaf het eerste millennium voor Christus was de astrologie de meest bevoorrechte voorspellingstechniek. De eerste horoscopen verschenen en talloze teksten zoals almanakken, kalendervoorspellingen en tabellen werden uitgewerkt. Hiervoor moest men systematisch de hemel (die in 12 gebieden van 30 graden is verdeeld) observeren, wat de verspreiding van de wetenschap begunstigde. Het onderzoek naar de zin achter elke oorzaak, naar tekenen en voortekenen, leidde tot de ontdekking van wetmatigheden en het uitwerken van planetaire theorieën die berustten op nauwkeurige astronomische waarnemingen vanuit een aritmetische basis. Deze kennis was de uitdrukking van een praktisch doordachte astronomie en de vrucht van het eeuwenlange verzamelen van talloze voorspellingen en observaties. Tot dat moment was de voorstelling van de wereld magisch en gevarieerd, maar weinig uitgewerkt en nauwelijks vastgelegd.


Beeldvorming en geometrie
Griekenland, 6e eeuw v. Chr. - 2e eeuw n. Chr.


In het oude Griekenland kwamen de astrologie en de geometrie samen. Hier ligt met het verschijnen van een veel lichamelijker, substantiëler, rationalistischer en materialistischer visie van de wereld het begin van de wetenschappelijke geest. Het oude Griekenland vormde het hart van de ontwikkeling van de mediterrane astrologie, het samenkomen van de oosterse sterrenkunde, de wijsheid van de Egyptische tempels en de astronomie uit Mesopotamië. De grootste bijdrage van de Grieken was echter hun vermogen een abstracte en samenhangende weergave van de wereld te ontwikkelen, gebaseerd op een gestructureerde filosofie die uitging van observatie van de natuur. Via een aritmetische en algoritmetische denkwijze kwam men bij een conceptuele en geometrische opvatting, die uit te drukken viel in de punt, de lijn, de hoek enz. De astrologie werd hiermee gevoed: cirkel, driehoek en vierkant werden kwantitatieve en kwalitatieve herkenningstekens. Vanaf Homerus in de negende eeuw voor Christus tot Hesiodes in de zevende eeuw na Christus, vormde zich een kosmogonie en een kosmologie. Aan het eind van de zevende en zesde eeuw voor Christus nam met de School van Milete de geschiedenis van de wetenschap een aanvang. Men ging zich afvragen hoe het zat met de materie, deed aan natuurkunde en probeerde in de wereld een samenhangende structuur en een substantiële eenheid te vinden (de atoomtheorie van Democrites in de tweede eeuw voor Christus). In de vierde eeuw voor Christus had Thales, stichter van de School van Milete, als lijfspreuk: "Ken u zelf en u zult het universum en de goden kennen." Pythagoras onderwees, dat de wereld intelligent was, dat eenheid de Wet was en dat de mens moest evolueren. Hij gaf de astrologie een nieuwe dimensie door deze te baseren op de natuur, de getallen en de muzikale harmonieën, terwijl hij er ook het begrip der elementen introduceerde (vuur, aarde, lucht, water; die Empedocles verder ontwikkelde). Ook voerde hij de aspecten van kwaliteit in (kardinaal, vast, beweeglijk), en de rationele praktijk van de geometrie in de bestudering van de hemel in de geboorte (driehoek, vierkant) en organisatie van de 'Ideeën'. Hippocrates verrijkte dit systeem in de vierde eeuw voor Christus met de 'temperamenten' en werkte de basis van de medicinale astrologie uit. In de tweede eeuw voor Christus berekende Hipparchus het samenvallen van de zonnewendes en vervaardigde hij een sterrencatalogus. In het jaar 140 na Christus bracht Ptolemeus dit geheel van kennis samen in zijn werk de 'Tetrabiblos'. Zijn opvattingen werden veertien eeuwen lang als juist gezien. Deze visie was geocentrisch, met uitzondering van de theorie van Aristarchus van Samos die de zon onbeweeglijk in het centrum van het universum plaatste (in het jaar 273 voor Christus). De aarde was rond en Eratosthenes berekende haar omtrek. Haar centrum was eveneens het centrum van de zwaartekracht. Er was overeenkomst tussen haar aard en die van de andere planeten. Acht bolvormige 'sferen' vormden de weergave van de wereld: zeven planetaire sferen die met constante snelheid bewogen en de vaste sfeer van de dierenriem. Naast de maan werd de wereld als volmaakt gezien: bolvormig, onbeweeglijk en onveranderlijk. De planetaire goden waren geworden tot kosmische primordiale krachten. Het idee van de perfectie was nu fundamenteel. Het werd gesymboliseerd door de cirkel, de getallen en de muzikale harmonie. Gedurende de Romeinse tijd nam de astrologie vele vormen aan in zowel haar wetenschappelijke als populaire toepassingen. Zij deed haar intrede in de religieuze instellingen en in de samenleving, maar bleef nauw verbonden met de kunst van het voorspellen. Nadat wij kennis hadden kunnen nemen van de Dode Zeerollen die in het begin van de christelijke tijd geschreven lijken te zijn, weten wij dat de astrologie door de Essenen werd gebruikt om de spirituele dimensie van elk van hen vast te stellen. Het optreden van Jezus Christus vormde een sleutelmoment dat zich pas later zou laten vertalen in een nieuwe mentaliteit. Met het christendom stelde men de verrijzenis gelijk aan de overwinning op de dood en leerde men de Christus in zichzelf vinden. Het teken Vissen (Pisces) diende als herkenningsteken voor de eerste christenen, maar in de loop van de eerste eeuwen van onze jaartelling werden de astrologen vervolgd. Zij namen hoofdzakelijk de wijk naar Perzië en Syrië.


Abstractie en spel:
algebra en alchimie
De Arabieren, 8e - 12e eeuw


In het begin van deze periode waren het de Arabieren die de Griekse auteurs herontdekten en vertaalden in hun taal. Zij lieten eveneens de Indische, Perzische en Joods-Syrische kennis circuleren. Maar in deze periode hadden zij met Gerber (Jabir) ook al hun eigen inbreng in de astrologie, en met Al Kindî beïnvloedden zij de wiskunde en filosofie, en via zijn invloed de alchimie. Zij gingen door met het verder ontwikkelen en verfijnen van de conceptuele gedachte, maar gingen hierbij veel verder in hun vermogen tot abstractie. Zo vernieuwden zij deze kennis door dit spel met abstracte objecten en gegevens. Van de tiende tot de twaalfde eeuw bloeide de Arabische gedachte in het oosten. Vooral de geneeskunde (Rhazès), de wiskunde en de filosofie (Gerber en Al Bathâni) floreerden. In de tweede helft van de twaalfde eeuw drong de Arabische kennis via Averroès, die in Cordoba doceerde, door in het Westen. Dit was een kostbaar moment, waarop de grote rijkdom van de joodse, christelijke en Arabische gedachtenwereld harmonieus samenkwamen. De ontwikkeling van de Arabische astrologie was de vrucht van een grote intellectuele vermenging, maar eveneens van een grote creativiteit, voortkomend uit het verder ontwikkelen van algebra en alchimie. De Arabieren vonden het numeriek stelsel uit en hiermee een nieuwe opvatting en praktijk van de aritmetiek en werkwijze (Al Guarismi): het decimale stelsel. Zij introduceerden het getal nul, dat uit India kwam, ontwikkelden de symboliek der getallen, en gaven namen aan de sterren. Voorts kenden zij een belangrijke betekenis toe aan het besef van de cycli en werkten zij theorieën uit omtrent de samenhang die bestond tussen de grote standen van de planeten en de opkomst en ondergang van grote Rijken en grote religies. Zij vonden de 'Huizen' uit en perfectioneerden het astrolabium. De astrologische techniek en het wereldbeeld werden door hen grondig veranderd. Met de opkomst van de irrationele getallen kwam een einde aan de Griekse opvatting van de perfectie gekoppeld aan het getal. Algebra ('Al Djeber' = reductie), alchimie en numerologie gaven nu de mogelijkheid alchimistische 'delen' of Arabische delen (Al Boumazar) verder uit te werken. De nieuwe 'aspecten' gaven een verfijndere visie en spirituelere benadering van het astrologische onderwerp. Maar zij vernieuwden ook de heersende mode van de praktijk der 'magische' astrologie. Zij verbonden deze met de uitwerking en toepassing van amuletten en talismannen. De voorstelling van de wereld volgens Aristoteles en Ptolemeus onderging een metamorfose. Aan het begin van deze periode ging de Arabische gedachte er vanuit dat alle hemellichamen invloed op de wereld hadden. Vanaf de elfde eeuw werden de sterren echter niet langer meer gezien als oorzaak van gebeurtenissen maar als tekens, afbeeldingen van de oorzaken conform de koran. Het onuitgedrukte werd belangrijker dan het tastbare: het was het onzichtbare dat het zichtbare voortaan verklaarde en niet omgekeerd.


Geneeskunde en alchimie:
Hoogtepunt en verspreiding
Middeleeuwen en Renaissance


De Arabische expansie, de invloed van de joden in Spanje, de kruistochten en de terugkeer van de kennis der Druïden drukten hun stempel op de geest der Middeleeuwen. Van de achtste tot de tiende eeuw drongen de moslim-astrologie, -alchimie en -filosofie tot het christendom door. Aan het begin van de tiende eeuw was de astrologie in het bijzonder nauw verbonden met de alchimie. Zij verspreidde zich vooral in het Westen en vond hier haar grootste toepassing. Zij werd in deze vorm beoefend door dienaren van de Kerk als Abélard, stichter van de scholastische dialectiek, Albertus Magnus en zijn leerling Thomas van Aquino, Roger Bacon, maar eveneens door sommige pausen. Zij ontwikkelden het edelste deel ervan en legden het accent zodoende op het vermogen om het grove in het fijne te transformeren terwijl men werkt aan het samenbrengen van de tegendelen. Zij onderwezen dit op de universiteiten die werkzaam waren vanuit met name Montpellier, Bologna, Padua, Oxford en Parijs, waar de astrologie onafscheidelijk deel was van de geneeskunde. Bacon, Arnaud de Villeneuve, Paracelsus, Nostradamus en Cardanus illustreerden en verfijnden de kunst. Zij was zeer in trek aan de hoven, vooral die van Karel V en Alfonso X van Castilië, die men 'de Astroloog' noemt en die nieuwe vervaldata en de zogeheten 'Tabellen van Alfonso' opstelde. De kunst, de kathedralen en de afbeeldingen dragen in deze periode allemaal het merkteken van astrologische symbolen. De astrologie werd gebruikt voor politieke en jaarvoorspellingen (almanakken). Maar zij droeg eveneens bij tot een ontwikkeling die zijn weerga niet kende, doordat zij gepaard ging met interesse voor het persoonlijke, voor de ontwikkeling van het individu. Gedurende deze periode keerden de geheime genootschappen terug op het toneel waar zij hun werkzaamheden begonnen. Zowel op het praktische als het speculatieve vlak, zowel in de werkzaamheden van het laboratorium als bij het spreken voor een groot publiek, intensiveerden deze groeperingen hun uitstraling. Ondanks de talloze bullen die door de Kerk werden uitgevaardigd om dit gebruik van "infantiele, magische en fatalistische" toepassingen te veroordelen, ging de wetenschappelijke astrologie voort zich zonder grote opschudding te ontwikkelen. Zij voerde aan dat de sterren het werk zijn van de schepper, de manifestatie van de Goddelijke Wil. Zij respecteerden zo de 'individuele genade' en de 'vrije keuze' in de katholieke theologie. Wijsheid heerst in de sterren. Zij is zowel 'scientia motus' (wetenschap van de beweging), als 'scientia judiciorum' (wetenschap der wetten). Maar de hang naar astrologie deed ook incompetente astrologie en charlatans ontstaan, terwijl ondertussen uitzonderlijke geesten als Agrippa en Jacob Boehme verder gingen met haar uit te oefenen en verder te ontwikkelen. Met deze grootschalige verbreiding die door de uitvinding van de boekdrukkunst door Gutenberg in 1453 nog werd versneld, werd de breuk die altijd al bestond tussen twee vormen van astrologie opeens heel duidelijk. Men had de astrologie die men 'de kennis' noemde, die begrip probeerde te verkrijgen van het goddelijk schrift en de samenhang tussen mens en kosmos, en de populaire astrologie die gebeurtenissen voorspelde, deterministisch of zelfs magisch was en alles als passief onder de invloed der sterren plaatste waar men de gebeurtenissen slechts kon ondergaan. Grote omwentelingen maakten echter de weg vrij voor een radicale verandering van mentaliteit. Met name de ontdekking van de Nieuwe Wereld door Columbus en de reis om de wereld die door Magellan werd volbracht, bewezen dat de aarde rond was. Zij vergrootten de horizon en openden een nieuw tijdperk van ontdekking van de wereld en - hiermee samenhangend - van haar weergave in het menselijk bewustzijn.


Verval:
Heliocentrisme, rationalisme en individualisme, 14e - 19e eeuw


Tussen 1539 en 1781 veranderde een serie ontdekkingen de gegevens van de astrologie en werd haar duidelijke verval ingezet. In 1539 plaatste Copernicus de zon in het vaste middelpunt van het universum, liet de maan om de aarde draaien en de aarde om haar eigen as. Maar hij kon niets hiervan aantonen. In 1570 werd een nieuwe ster ontdekt. Galileï gebruikte als eerste de telescoop en zo kon men de hemel voortaan verder dan de reikwijdte van het menselijk oog bestuderen! Hij bestudeerde de fasen van Venus, ontdekte de manen van Jupiter, de verschillende verschijningsvormen van Saturnus (de jaren) en de zonnevlekken. Ook ontdekte hij dat de hemellichamen niet natuurlijkerwijze vast staan op hun plaats (de tijd van stilstand geeft een indicatie van de relatie tussen twee hemellichamen die dezelfde snelheid bezitten), en voor de allereerste keer schreef hij alles in het Italiaans. Copernicus werd echter door de Kerk vanwege zijn heliocentrische theorie, die men als ketterij beschouwde, veroordeeld. Ook Galileï werd gedwongen zich terug te trekken. Kepler nam het op zich, als astronoom en astroloog de wereld te interpreteren en niet enkel te beschrijven. Hij zocht achter de feiten het geheim van de harmonie der schepping. Voor hem waren de astrologische harmonieën in de aard der dingen vervat omdat zij in overeenstemming zouden zijn met onze ziel. Hij toonde aan dat de aarde een planeet is en dat de banen van de planeten ellipsvormig zijn. Dankzij deze ontdekking kon hij de samenhangende en eenvoudige organisatie van ons planetenstelsel bewijzen. Hij werkte de drie wetten uit die gerelateerd zijn aan de omloopsnelheid en toonde aan dat de zon de kern van één van deze omloopbanen vormt. Wel liet hij de zon staan als centrum van de sfeer van vaste sterren. Zo behield hij voor de astrologie het geocentrische beeld, dat als een sleutel is die op onze aardse ervaring past. Uiteindelijk bracht hij de subtiele 'aspecten' aan het licht die door de Arabieren werden bestudeerd. Newton zette de wetten van Kepler door en gaf ze een basis. Het belangrijkste deel van zijn werk verscheen in 1687 en had betrekking op de infinitesimaalrekening, op de aard van het licht - dat uit zeven kleuren bestaat die hij in verband bracht met de zeven tonen in de muziek - en op de universele zwaartekracht. Hij stond aan de wieg van de geboorte van de mechanistische hemel. Zijn wet van universele aantrekking veroorzaakte een omwenteling in de gedachte en praktijk der wetenschap, maar werd pas een eeuw later aangenomen. Zij maakte het echter mogelijk om door middel van berekeningen de ontdekking van twee nieuwe planeten te voorspellen. Op dit moment moeten wij er vooral op wijzen dat deze grote wijsgeer, werkzaam in de wiskunde, optiek en natuurkunde, vóór alles alchimist was. Hierna ontdekte Halley dat de sterren niet vast staan, en Herschel dat de Melkweg bestaat uit talloze sterren, zoals de zon. Maar als een donderslag bij heldere hemel ontdekte hij vooraleerst in 1781 in zijn telescoop een nieuwe planeet: Uranus. De vaststelling van het heliocentrisme, de ontdekking van de ellipsvormige baan van de planeten, de aard van kometen en de nieuwe sterren, hadden de astrale voorstelling van de wereld al omver geworpen, maar vanaf dit moment trad er in de wereld van de astrologie een ware revolutie (één van de aspecten van Uranus) op. Waren voor Newton en Kepler de natuurkundige wetten die zij aan het licht brachten nog in overeenstemming met de Goddelijke Wet en stonden zij oog in oog met Gods manifestaties, het gezichtspunt dat nu zou gaan overheersen, trok al deze gegevens in twijfel. De humanistische filosofie bereidde de bloei van het individualisme voor, terwijl de logica het rationalisme op gang bracht. De Kerk veroordeelde de astrologie en de filosofen verwierpen haar. Zij werd gereduceerd tot haar voorspellende aspect dat tegenstrijdig was met het opkomende verlangen naar vrijheid en individuele expressie. Colbert verbood de astrologie in Frankrijk in 1660. Na 1670 werd zij gescheiden van de astronomie en niet meer officieel onderwezen, behalve op een paar universiteiten. In het tijdperk der Verlichting moest de studie van de metafysische samenhang van mens en kosmos zich tegenover het individualisme, het zuiverende rationalisme en het ongeloof verschuilen onder de geheime genootschappen. Kosmologie en kosmogonie verdwenen ten gunste van de wetenschappelijke gedachte die het universum niet als het Al wenste te zien, maar slechts beschrijvend en mechanistisch wilde blijven. De interpretatie van de tekenen werd marginaal en leek archaïsch en - in het licht van de menselijke intelligentie - van zeer geringe waarde. Op dat moment stelde men zich voor dat het universum altijd al had bestaan, dat het oneindig was gevuld met gelijkvormige sterren, dat het door dezelfde wetten werd geleid en dat de tijd een uniform gegeven was. Men stelde zich ruimte en tijd voor als de kaders waarbinnen de materie zich bevond en die los ervan bestond.


Vernieuwing:
Psyche, relativiteit en evolutie, 19e en 20e eeuw


De ontdekkingen van Newton en Kepler en de algemene verbreiding van de telescoop vormden de basis voor een periode van een explosieve groei van waarnemingen. Het aantal waarnemingen vermenigvuldigde zich in hoog tempo. Doel was het nagaan van wetmatigheden. Het bewijs dat de beweging der sterren uit het universele principe van de aantrekkingskracht voortkomt, droeg bij aan de ondergang van de magisch-astrologische gedachte. De idee dat de wetenschap in staat zou zijn alle mysteriën en enigma's op te lossen, werd steeds sterker. Zij deed een nieuwe filosofie van onderzoek ontstaan die gebaseerd was op inductie (dat wat vanuit observatie is na te gaan, is waar) en op de nieuwe opvatting dat de natuur dynamisch en functioneel, mechanisch en wiskundig zou zijn. Dit alles leek in schril contrast te staan met de deductieve astrologische gedachte, die kwalitatief en symbolisch was. Engeland ontsnapte aan deze verwerping. Daar bleven de boeken die noodzakelijk waren voor het beoefenen van de astrologie, in druk verschijnen. De wetenschappers onderzochten de wereld. Om te beginnen begon men rond 1801 de asteroïden tussen Mars en Jupiter waar te nemen. In 1831 ontdekte men de diepten van het universum. Het bleek drie dimensies te bezitten. Vervolgens werd in 1848 Neptunus ontdekt in hetzelfde tijdperk als waarin het communisme en de Romantiek zich ontwikkelden, die allebei Neptuniaanse eigenschappen zijn. Men nam de eerste foto's van de Melkweg. De waarnemingen van Van Fraunhofer over het licht betekenden de geboorte van de astrofysica en maakten het classificeren van sterren mogelijk. Halley ontdekte dat de sterren bewogen. Men toonde verder aan dat hier een ontwikkeling inzat en dat zij zich van elkaar verplaatsten (Hubble). Tegelijkertijd gaf het streven naar waarden die dichter bij de mens lagen, opnieuw leven aan de mechanische astronomie. Parallel hieraan kwamen de theorieën omtrent de evolutie van de grond. Goethe herontdekte het belang van de symboliek en werkte aan het vestigen van de band tussen de traditie en ervaring. Nieuwe disciplines als de etnologie, de sociologie en de psychologie bloeiden op en droegen bij aan het weer toegankelijk maken en vervolmaken van ideeën. De stellingnamen en ontdekkingen van Freud markeerden een beslissende ommekeer en bewezen het belang van de psychische dimensie van het individu. De lapsus werd beschouwd als een teken dat een oorzaak had en als manifestatie van het onderbewuste. In 1875 werd de Theosofische Beweging gesticht, die het christelijk esoterisme met de oosterse mystiek trachtte te verbinden. Het betrof een vorm van onderwijs die terugging op de esoterische middeleeuwse basis (de evolutie van de mens van het grove naar het meest reine). Het voegde hieraan de concepten van karma en reïncarnatie toe. Samen met de esoterische astrologie die beoefend werd door Bailey, Schuré, Papus et cetera, ontwikkelden zich aldus verschillende vormen van astrologie: statistische met Choisnard en Gauquelin; traditionele met Don Néroman; psychologische met Barbault, en vervolgens humanistische met Rudhyar. Jung verbond opnieuw de geneeskunde met de astrologie en verkende opnieuw de symbolen, archetypen, de synchroniciteit en de diepte-psychologie van de relatie die dit alles met elkaar had. In 1932 verscheen de eerste horoscoop in druk en deed de astrologie haar intrede in de commercie als een middel tot het verkrijgen van raad en hulp. In de wetenschap herintroduceerde Einstein het irrationele in de wetenschappelijke vooruitgang door te spreken over God, astrologie en intuïtie. Hij ontdekte dat het licht bestond uit fotonen en toonde in zijn relativiteitstheorie aan, dat ruimte-tijd de vierde dimensie vormde en door de materie gebogen werd. Hij bewees de samenhang tussen massa en energie volgens de beroemde formule e=mc², die leidde tot de ontdekking van een kracht die wat betreft de plaats waar zij zetelde (het oneindig kleine) buiten alle normale normen lag: de atoomenergie. Maxwell ontdekte dat het licht deels voor het menselijk oog onzichtbaar is, en verenigde de begrippen elektriciteit, magnetisme en licht. Bohr toonde aan dat het licht afhankelijk van de omstandigheden waaronder het experiment plaatsvond, zich zowel als deeltjes in de vorm van fotonenbundels alsook als golven gedraagt, en dat elk fysiek object afhangt van de waarnemer: de kwantummechanica. In de biologie bewees men dat er in de menselijke hersenen twee delen zijn, de linker- en de rechterhelft, respectievelijk verband houdend met twee typen functies die tegengesteld en tegenstrijdig zijn: de functies van de logica die wetenschappelijk en rationeel is, en de intuïtieve functies die emotioneel en irrationeel zijn. Deze theoretische vooruitgang werd concreet zichtbaar in de productie van atoomenergie. Tegelijkertijd werd aan de rand van ons zonnestelsel Pluto ontdekt, gevolgd door de explosie van de atoombom, de verovering van de ruimte met de eerste mens die in een baan om de aarde werd gebracht, de eerste mens die wandelde op de maan en de eerste beelden van onze eigen planeet. Het beeld dat wij van onszelf hadden, van de mensheid, van de aarde en het universum, was volledig omvergeworpen. Opnieuw ging men onderzoeken wat de aard en de oorsprong van het universum was, welk verband er was tussen het oneindig kleine en het oneindig grote. Het onderzoek aan de unificatie-theorie kwam op gang en ook bestudeerde men welk verband er was tussen de mens en datgene wat hij de realiteit noemt. Bij de huidige stand van zaken van onze kennis omtrent onze evolutie volgens de theorie van de 'Big Bang' (oerknal), heeft het universum een verleden gekregen: het is geboren uit het primitieve atoom, oftewel uit een een-voudigheid, is achttien miljard jaar oud en breidt zich uit. De zon is ongeveer zes miljard jaar geleden ontstaan en onze planeet bestaat vierëneenhalf miljard jaar. De mens maakt deel uit van dit verleden en is net als het universum uit dezelfde elementen opgebouwd; uit dezelfde waterstofatomen die stammen uit de begintijd, zo'n achttien miljard jaar geleden.


Conclusie


Alles wat vanaf de oudste tijden in Egypte in de vorm van geheimen binnen de mysteriescholen onderwezen werd, is telkens wanneer de mensheid gereed was om er de zin van in te zien, stukje bij beetje onthuld. De wetten die de evolutie van het universum regeren, veranderen niet. Het is de mens zelf die steeds meer in staat is om ze te begrijpen. Ieder van ons is de vrucht van deze evolutie. Wij bewaren in de herinnering van onze cellen fundamentele stappen die wij bij vol bewustzijn moeten herbeleven. Vanaf de ontdekking van Uranus ontstond er een opening van het individueel bewustzijn, waardoor iedereen het persoonlijke vermogen kreeg om aan zijn eigen ontwikkeling te werken. Eveneens werd het collectief bewustzijn manifest dat aantoonde dat elk wezen een cel is in het grote organisme van de mensheid. Deze kan niet groeien wanneer niet elke menselijke cel - bewust van zijn gaven, zijn onmisbare rol en zijn verantwoordelijkheid - meewerkt aan bevrijding en reïntegratie. De ontdekking in 1977 van een nieuw astronomisch object in het zonnestelsel moet men in deze context zien: zijn natuur is totaal verschillend van de objecten die men kent omdat het de karakteristieken van een komeet vertoont. Het beweegt zich tussen Saturnus die het einde van de zichtbare wereld symboliseert en Uranus, de eerste planeet van de onzichtbare wereld. Men heeft het Chiron genoemd: de Inwijder uit de Griekse mythologie. In de relatie tussen astronomie, wetenschap en mystiek, materialisme en spiritualiteit, het zichtbare en het onzichtbare, het gemanifesteerde en het niet-gemanifesteerde, doet zich een radicale verandering voor. De wetenschap heeft haar grenzen gezien en ontdekt dat de grenslijn die de twee polen scheidt beweeglijk is; zij kan momenteel de relativiteit van wetenschappelijke waarheden accepteren. De astrologie heeft de middelen tot haar beschikking om de stukken waarin zij uiteengevallen was en die haar in diskrediet hadden gebracht, weer op te zoeken. Zo hoeft zij niet langer gebaseerd te zijn op 'geloven', en kan men haar ware aard onderzoeken. Dit bevrijdt de astrologie van magie en van formele voorspellingen. Zij hoeft zich niet langer te laten reduceren tot een horoscoop. Op het moment van de eerste ademhaling van elk wezen, is de toestand van de hemelen of de uiterlijke kosmos in overeenstemming met zijn of haar innerlijke kosmos. De astrologie kan ons daarom helpen ons te realiseren dat men zichzelf moet leren kennen om het universum en de goden te leren kennen. Het is dan ook verheugend bepaalde astrofysici te horen zeggen dat de chaos slechts een nog niet onthulde ordening betreft en dat men ook hier van een 'kosmos' kan spreken. Sterker nog, dat de materie en het licht verenigd waren, en ten tijde van de afkoeling na de Big Bang gescheiden werden. Anders gezegd, ook de astrofysica kent haar Drieëenheid: ruimte, tijd en materie. Wij zijn aangekomen op het moment van onze evolutie op de aarde waar wij onze bipolariteit moeten integreren en de kunst moeten ontwikkelen de tegendelen te verenigen, en de tegenstellingen bijeen te brengen in wederzijdse verrijking.

Liliane Blanchet, Afdeling 'Traditie en Filosofie', University Rose-Croix International

Niet alle velden zijn (juist) ingevuld